Kremers visie op prediking brengt herkenning over kerkmuren heen

Vijf homileten spraken vrijdag tijdens een symposium in Apeldoorn over het werk van prof. W. Kremer (1896-1985). beeld RD, Anton Dommerholt
7

„Theologie die voor de prediking niet vruchtbaar is, verliest op den duur haar zin.” De predikkunde had het hart van prof. W. Kremer (1896-1985). Vrijdag werd een nieuwe uitgave van zijn verzameld werk gepresenteerd.

Kremers woorden werden aangehaald door kandidaat D. H. J. Folkers (HHK) tijdens een symposium over de homiletiek (predikkunde) van Kremer in het gebouw van de Theologische Universiteit Apeldoorn. Samen met ds. J. Westerink (CGK) verzorgde Folkers het verzameld werk van de christelijke gereformeerde hoogleraar van twee delen onder de titel ”Priesterlijke prediking”. De bundels bevatten een heruitgave van het gelijknamige boek uit 1976, uitgebreid met onder meer een biografie, diverse opstellen over de prediking en preken en meditaties van Kremer. Folkers overhandigde een eerste exemplaar van het boek aan een van Kremers dochters.

Versmalling

Vijf homileten uit verschillende kerken reageerden op het werk van Kremer in referaten en tijdens een panelbespreking. Dr. C. van Dusseldorp, docent homiletiek aan de Theologische Universiteit Kampen, ziet in Kremers prediking „een liefde voor het Woord en een levende band met Christus, die gepaard gaat met aandacht voor het geestelijk leven van mensen.” Dr. Van Dusseldorp stelde de vraag of Kremers aandacht voor de ziel en de nadruk op „het geloof van de enkeling” niet een „versmalling is van de openbaring van God.” Hij vroeg zich af of een christologische benadering, waarin ook aandacht is voor onder andere „diaconale aspecten van Gods werk”, een „breder perspectief zou kunnen geven.”

Ook plaatste dr. Van Dusseldorp een kanttekening bij de functie van „reflectieve vragen” in de prediking. Zo stelt Kremer regelmatig aan het einde van een meditatie de vraag: „En u, hoe is het met u?” Zulke vragen, bedoeld om de luisteraars over zichzelf te laten nadenken, kunnen iets vermoeiends hebben, stelde de Kamper docent. „Reflectieve vragen komen in de prediking die we in de Bijbel zien niet veel voor. Als er te veel van deze vragen in een preek voorkomen, dient dat de verkondiging niet.”

2019-04-04-katDO1-WestFolk2-6-FC_webUitgave werk prof. W. Kremer: „Naar zijn lijn moeten we als kerken terug”

„In mijn Bijbel kom ik juist veel reflectieve vragen tegen”, wierp ds. A. Schot, docent homiletiek aan de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten, tegen. „Denk aan hoe de profeten vragenderwijs Israël Gods Woord voorhielden, waardoor het volk tot een antwoord gedwongen werd.”

„Uiteraard vraagt de verkondiging een antwoord”, reageerde dr. Van Dusseldorp, „maar de manier waarop zulke vragen worden verwoord, maakt wel verschil. Ik kom reflectieve vragen in Paulus’ en Petrus’ prediking zo niet tegen. Dat is nog geen argument om ze niet te gebruiken, maar we moeten ons wel afvragen hoe zulke vragen zich verhouden tot de appellerende nieuwtestamentische verkondiging.”

Bijbelwetenschap

Prof. dr. F. G. Immink, emeritus hoogleraar aan de Protestantse Theologische Universiteit, sprak waardering uit voor „de aandacht voor geestelijk leven in Kremers prediking.” Hij vroeg zich daarbij wel af of er geen sprake is van „een verzelfstandiging van geestelijk leven.” Ook pleitte Immink ervoor om „meer werk te maken van de omgang met de hedendaagse kritische Bijbelwetenschap.”

Aan de Theologische Universiteit Apeldoorn vond vrijdag een symposium plaats rond het werk van prof. W. Kremer (1896-1985). beeld RD, Anton Dommerholt

„Moet je dat werk als prediker niet in de keuken achterlaten?” vroeg prof. dr. M. J. Kater, hoogleraar praktische theologie aan de Theologische Universiteit Apeldoorn. „De mensen in de kerk hoeven toch niet direct te merken dat je zelf door die kritische vragen heen bent gekropen?”

„Veel van ons werk blijft inderdaad beperkt tot de studeerkamer”, reageerde prof. Immink. „Ook als wij belijden dat in de Bijbel God spreekt, blijft het in zijn wording en voortgang een heel complex boek. Als daar niet iets van blijkt in de prediking dan is er iets niet goed.”

Waardering

Ds. Schot gaf in zijn referaat aan „met veel waardering” kennis te hebben genomen van Kremers werk. De predikant uit Nunspeet verwees naar Kremers uitspraak dat in de prediking twee harten opengaan – namelijk van God en van de gemeente. „Ik zou willen vragen: hoe staat het met het derde hart, dat van de prediker zelf?” Gods Woord is niet afhankelijk van het geestelijk leven van een prediker, stelde ds. Schot, maar „de Bijbel houdt boodschap en prediker wel dicht bij elkaar. Christus zegt: „Een blinde kan geen blinde leiden.””

Aan de hand van het werk van John Bunyan schetste ds. Schot het beeld van een prediker. Zo is die ernstig, Bijbel- en waarheidsgetrouw, een vreemdeling op de wereld en doordrongen van de nood van zielen.

Familie van prof. W. Kremer (1896-1985) met de redacteuren van zijn werk, kandidaat D. H. J. Folkers en ds. J. Westerink. beeld RD, Anton Dommerholt

Nuchter

Dr. R. van Kooten, docent homiletiek aan het Hersteld Hervormd Seminarium, noemde het „ontzettend jammer” dat Kremer er door zijn uitgebreide takenpakket nooit toe kwam om zijn theologische visie grondig uit te werken. De emeritus predikant noemde als kenmerkend thema bij Kremer de term „homiletische exegese.” „Dan gaat het om de vraag wat de tekst zegt; die moet een boodschap worden. De prediker moet vuurbang zijn om zijn eigen gedachten uit te dragen als Gods gedachten. Bij Kremer moet de tekst zichzelf gaan preken.”

Prof. Kater omschreef in zijn bijdrage Kremer in drie woordenparen. „Hij was veelzijdig evenwichtig; gewoon gewichtig –je komt in Kremer geen dominee tegen die het allemaal weet, maar een theoloog die heeft leren luisteren naar het Woord van God– en hij was nobel nuchter. Zo nam hij het vaderlijk op voor zijn studenten, die nog veel moesten leren.” Kater gaf aan dat het werk van Kremer in Apeldoorn aandacht blijft houden. „Ik ben dankbaar dat we Kremers spoor ook vandaag de dag nog begaanbaar én noodzakelijk achten.”

Herkenning

De homileten uit vijf verschillende kerken spraken vrijdagmiddag overwegend waardering uit voor het werk van Kremer, concludeerde panelleider prof. dr. H. J. Selderhuis. „Toch preekt u niet allemaal gelijk. Wat ligt er in Kremers werk dat kerken die in deze traditie willen preken, verbindt?” vroeg hij de sprekers.

Dr. Van Kooten: „Dat de tekst zichzelf preekt, dat roept ontzag en herkenning op. Ook als de gebruikte woorden wel eens verschillen.”

Prof. Kater: „Ik denk ook aan Kremers visie op geestelijke leiding in de prediking.”

Ds. Schot: „In zijn begrip van homiletische exegese ligt een herkenningspunt.”

Prof. Immink: „Kremers nadruk op het geestelijke leven roept herkenning op, maar ook vervreemding. Er zijn wel verschillen te constateren. Het is mooi als bevinding herkenning biedt, maar dat is geen garantie voor kerkelijke eenheid.”

Dr. Van Dusseldorp: „Toen ik Kremers bundel las, kwam ik een taalveld tegen dat ik uit mijn eigen traditie niet ken. Toch gaat het wel om dezelfde zaken. Inderdaad is er herkenning. Dat wil niet zeggen dat als wij dezelfde tekst bestuderen, we allemaal tot dezelfde preek zouden komen. Ik waardeer in dit symposium dat het gelukt is om homileten met vijf verschillende achtergronden om tafel te zetten. Het lijkt me mooi en noodzakelijk om dat gesprek voort te zetten.”