Joan Ferreira d’Almeide vertaalde de Bijbel in het Portugees

Een Portugese buitenkerk. beeld RD
2

Zestien jaar oud is de in Portugal geboren Joan Ferreira d’Almeida wanneer hij begint met het vertalen van de Bijbel in het Portugees. Als gereformeerd predikant in Nederlands-Indië zal hij na meer dan veertig jaar de vertaling voltooien.

Joan Ferreira d’Almeida, een van de merkwaardigste predikanten van de vaderlandse kerk in het Batavia van de zeventiende eeuw, is in Portugal geboren en wordt daar rooms-katholiek opgevoed. Op jeugdige leeftijd vertrekt hij naar Malakka, waar hij geschoold moet worden tot jezuïet.

Het loopt echter anders. Als hij 14 jaar oud is, in 1642, krijgt hij een Spaans boekje onder ogen. Daarin wordt met name het onderscheid tussen het protestantisme en het rooms-katholicisme uiteengezet. Het maakt diepe indruk op de jongen en luidt een beslissende verandering in zijn leven in: hij verlaat de moederkerk en sluit zich aan bij de Reformatie.

In 1650 zal hij dit voor hem zo belangrijk geworden geschrift in het Nederlands vertalen onder de titel ”Onderscheydt der Christenheydt”. In de voorrede schrijft hij: „Dit boek heeft God vroeger gebruikt om door het aandachtig lezen daarvan mij te brengen tot de zalige kennis van Zijn Goddelijke waarheid.”

Hij laat het in Holland verschijnen, „in het vaste vertrouwen dat de Heere onze God, (als die ware Vader der barmhartigheid en der lichten, van Wie voortkomen en tot ons nederdalen alle goede gaven, en alle volmaakte giften (Jakobus 1:17)) daardoor genadiglijk bij eenieder de ogen van het hart en van het verstand” verlichten kan en wil, door de „oneindige verdiensten en zalige voorbidding van Zijn allerliefste Zoon, onze enige getrouwe Heere, Heiland en Zaligmaker Jezus Christus.”

Brandstapel

Ferreira’s overgang naar de gereformeerden wordt door de roomsen verfoeid. Later zal de inquisitie zijn beeltenis in het openbaar verbranden om aan te geven dat deze ketter de brandstapel verdient. Als protestant wordt hij benoemd tot krankenbezoeker om de Portugezen bij te staan.

Zichzelf heeft hij intussen een heel belangrijk doel voor ogen gesteld: de vertaling van Gods Woord in zijn moedertaal. De woorden van Christus tot Petrus in Lukas 22:32: „En gij bekeerd zijnde, versterk uw broeders” drijven hem ertoe aan. Terwijl hij nog op Malakka is, begint hij al met „uit het Spaans in het Portugees enige Zendbrieven en Evangeliën van de apostelen en de evangelisten” te vertalen en hij deelt ze uit „onder degenen van wie ik merkte dat ze een ernstige begeerte hadden om de Heilige Waarheid te willen verstaan.”

Hij is er evenwel van overtuigd dat het beter kan en moet: „Zo heb ik mijzelf terstond in het jaar 1644 (zijnde het derde na mijn bekering en het zestiende van mijn ouderdom) ten volle met al mijn krachten begeven om uit het Latijn het gehele Nieuwe en allerheiligste Testament van de eeuwige Zone Gods, onze Heere en Zaligmaker Christus Jezus, volkomen in het Portugees over te zetten. En zo heb ik dat in het jaar 1645 daarop met Gods hulp voltooid.”

Meerdere talen

Ferreira’s godsvrucht, gaven en ijver blijven niet verborgen. In 1656 wordt hij aangesteld als proponent en op 16 oktober dat jaar als predikant bevestigd. Hij heeft intussen meerdere talen geleerd en kan zich uitdrukken in het Portugees, het Latijn, het Spaans, het Frans, het Maleis en het Nederlands, terwijl hij het Grieks en het Hebreeuws goed kan lezen.

Als standplaats krijgt hij Gale op Ceylon toegewezen, waar hij van 1656 tot 1658 als dominee werkzaam is. Daarna arbeidt hij te Tutucorijn op de Visscherskust en vervolgens ruim een jaar lang onder de Parrua’s (op de zuidpunt van Voor-Indië). In 1663 beroept de gereformeerde kerk van Batavia hem voor de Portugese gemeente, die er deel van uitmaakt.

Omdat Ferreira ook in het Nederlands kan preken, gaat hij tevens in de Hollandse kerk voor. Zijn arbeid voldoet boven verwachting. Schreef de kerkenraad in 1654 nog dat de verkondiging van het Evangelie onder de inlandse bevolking van Batavia onvruchtbaar was, tijdens Ferreira’s leven getuigt men dat door zijn „ijver en naarstigheid” de Portugese gemeente „verwonderlijk door Gods medewerkende zegen” is aangegroeid.

De diensten in de nog bestaande Portugese Buitenkerk op de rustdag en doordeweeks blijken niet meer voldoende, zodat er vanaf 1665 elke zondag tweemaal wordt gepreekt en men behalve op woensdag ook op vrijdag bijeenkomt. Het aantal leden van de gemeente wordt aan het einde van Ferreira’s leven zelfs op zo’n 3000 à 4000 geschat.

De vertaling voltooid

Ferreira blijft heel zijn leven aan zijn vertaling werken. In 1681 verschijnt het Portugese Nieuwe Testament in druk. Hij is inmiddels allang bezig met de overzetting van het Oude Testament, waarbij hij dankbaar gebruikmaakt van de Nederlandse Statenvertaling, die hij boven alles prijst. Al zijn werk doet hij „in het vaste geloof dat alleen de Heilige Schrift het enige middel is dat de Heere onze God ons genadig geschonken heeft tot onze eeuwige gelukzaligheid om te kunnen onderscheiden de waarheid van de leugen, het goede van het kwade en de ware oprechte leer van de valse en de bedrieglijke leer en godsdienst.”

De overheid van Batavia blijft hem geldelijk steunen. Bij zijn emeritaat in 1689 „wegens ouderdom en zwakheid” wordt zijn traktement niet verminderd. In augustus 1691 overlijdt Joan Ferreira d’Almeida.

Zijn handschriften worden zorgvuldig bewaard en nagezien. Eindelijk, meer dan vijftig jaar na zijn dood, kan ‘zijn’ complete Portugese Bijbel in twee delen verschijnen. Hij heeft zijn brood uitgegooid op het water en het is na vele dagen gevonden.

Dit is deel 1 in een drieluik over Bijbelvertalers in Nederlands-Indië. Over drie weken deel 2.