„Jeugdbeleid kerk scoort slecht”

Secularisatie, kerkverlating en een nieuwe kerk
Foto Sjaak Verboom

ZWOLLE – Het kerkelijk jongerenbeleid scoort slecht. Veel jongeren zeggen niets te hebben gehad aan een jeugd­ouderling of jongerenwerker. Voor bijna alle jongeren geldt dat een jeugdwerker hen niet heeft kunnen helpen bij vragen of problemen.

Dat is een van de conclusies van het onderzoek ”Jong, [goed] gelovig & kerk. De rol van het kerkelijk leven in de belevingswereld van jongeren”, dat vanavond wordt gepresenteerd op de Gereformeerde Hogeschool (GH) in Zwolle.

Het onderzoek is uitgevoerd door Hayo Wijma, docent gemeenteopbouw en adviseur bij de GH, en Jeannette Slendebroek-Meints. Zij is kwantitatief onderzoeker bij het Centrum voor Samenlevingsvraagstukken en GH-docent onderzoeksmethodologie.

Aan het onderzoek van de GH deden 116 kerkelijke gemeenten en 439 jongeren tussen de 14 en de 30 jaar mee, voornamelijk afkomstig uit de Christelijke Gereformeerde Kerken, de Nederlands Gereformeerde Kerken, de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, de Gereformeerde Gemeenten, de Hersteld Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland.

Uit het onderzoek blijkt dat meer dan 80 procent van de jongeren aangeeft nooit iets te hebben gehad aan een mentor of een betaalde jeugdwerker. Ruim 60 procent zegt hetzelfde over een jeugdouderling, huisbezoek, jeugdhonk of huiskring. Ruim de helft van de jongeren geeft aan nooit iets te hebben gehad aan een leider van een jeugd­vereniging, ondanks dat ongeveer 85 procent van hen aangeeft een redelijke tot goede relatie te hebben.

Dat jongerenbeleid zo slecht scoort, is een opmerkelijke conclusie, vinden Wijma en Slendebroek. Uit Brits onderzoek blijkt juist dat kerken met een jeugdwerker de kerkverlating in Enge­land min of meer tot stilstand hebben gebracht.

De catecheet blijkt uiteindelijk nog het meest behulpzaam te zijn bij het bespreken van vragen en problemen van jongeren. Wat dan wel weer opvalt, is dat jongeren aangeven met de catecheet een minder goede relatie te hebben dan met jeugdleiders, maar dat dit niet leidt tot een grotere toegevoegde waarde van jeugdleiders. „Het pleidooi om mentoraat in te voeren, of een pleidooi voor (meer) relationeel jeugdwerk, is dus maar van betrekkelijke waarde. Goede relaties blijken pas dan van waarde als er ook relevante inhoud wordt gecommuniceerd. Relevant moet dan nadrukkelijk begrepen worden als niet alleen voor de catecheet relevant.”

Volgens de onderzoekers gaan „mannen” weliswaar even vaak naar de kerk als „vrouwen”, maar het zijn de vrouwen die vooral vragen hebben rond geloof, geloofsbeleving en kerk. Mannen worstelen meer met vragen rond levenstijl, zoals het omgaan met tabak en seksualiteit. Vrouwen zijn ook positiever over kerkdiensten en andere kerkelijke activiteiten, zoals catechese en jeugdvereniging.

Jongeren praten veel met hun ouders en die lijken dus de belangrijkste bron van steun te zijn in de kerkelijke gemeente. Meer dan 70 procent van de jongeren geeft aan dat zij vaak tot altijd met hun ouders praten over persoonlijke dingen, over de omgang met vrienden of over kerk- en geloofszaken. Er wordt echter veel minder over seksualiteit gesproken.

Jongerenwerkers waarderen het contact met jongeren in hoge mate, maar hebben dit nauwelijks. „Veel kerken investeren in een jongerenwerker die het jongerenwerk op poten zet om daarna weer te vertrekken, in plaats van te kunnen investeren in contact met jongeren.”

Wijma en Slendebroek doen in hun onderzoek een aantal aanbevelingen voor kerken. Zo pleiten zij voor een ontmoeting van gemeenteleden uit diverse generaties. Daarbij moeten waarden en normen aan de orde komen en dienen de ervaringen van jongeren „te worden verbonden aan waar de geloofsgemeenschap voor staat.” Deze „be-waardende communicatie” ontbreekt vaak, concluderen de onderzoekers.