In Bruinisse bestaat de gemeente aanvankelijk uit vijf leden

ReformatieNL
De hervormde kerk van Bruinisse. beeld Sjaak Verboom

„Het waren nog felbewogen tijden”, schreef de Zeeuwse kerkhistoricus J. van der Baan in 1890, „toen de gemeente van Bruinisse gegrondvest werd. Maar in overeenstemming met die tijden, waren ook de handelende personen op het levenstooneel kloeke figuren, die, al dreigden gevaren, nood noch dood ontzagen ter bereiking van het grootste doel: vrijheid van land en geloof.”

Wat ging eraan vooraf?

Op de Zeeuwse eilanden Schouwen en Duiveland dateren de oudste sporen van hervormingsgezinden uit de jaren twintig en dertig van de zestiende eeuw. Zo werd Claas Willemsz, die vanuit Duiveland in Delft terechtkwam, betrapt op het lezen van een van Luthers werken. In 1531 werd hij in Den Haag veroordeeld tot eeuwige verbanning en inbeslagneming van zijn bezittingen.

Hoe kreeg de Reformatie in Bruinisse gestalte?

In Bruinisse, het meest oostelijke dorp op Duiveland en daarom ook aangeduid als Oost-Duiveland, leek alles rustig te blijven. Dat veranderde in 1572. In dat jaar moesten de rooms-katholieke geestelijken vertrekken of hun activiteiten staken in verband met de overgang van Schouwen en Duiveland naar de Prins van Oranje.

De beelden en altaren in de kerken werden verwijderd. De predikant Bernard Pietersz kreeg Oosterland als standplaats en moest ook zorgen voor Sirjansland en Bruinisse.

In 1575 staken de troepen van de Spaanse koning, onder leiding van Cristobal de Mondragón, het Zijpe bij Bruinisse over. Zij liepen Duiveland onder de voet en vervolgens Schouwen. Alleen Zierikzee hield stand. Ondanks de vele pogingen van prins Willem om de stad te ontzetten, volgde na negen maanden de overgave.

De bezetting duurde niet lang omdat de soldaten geen soldij kregen en wegtrokken. Weer kwamen de eilanden onder het gezag van de Prins van Oranje. Dat betekende het einde van de publieke uitoefening van de rooms-katholieke eredienst.

Vanaf 1577 waren twee voormalige geestelijken, Antonius Alegoet, eerder monnik, en Cornelis Rengerse, tevoren pastoor in Haamstede, actief als predikant voor geheel Duiveland. Drie jaar later had Oosterland een dominee in de persoon van Daniël Hendriksz Slaet. Op verzoek van het dorpsbestuur van Bruinisse kreeg deze predikant in 1582 opdracht om elke zondag een keer in Bruinisse te preken, bij afwisseling ’s morgens en ’s middags. In datzelfde jaar begon Joost van Lerberghe als schoolmeester en maakte de kinderen vertrouwd met de gereformeerde leer.

In 1589 gaven Gecommitteerde Raden, het dagelijks bestuur van de Staten van Zeeland, toestemming om, in goed overleg met de classis, een dominee aan te nemen. Dat dit relatief laat was, vond wellicht zijn oorzaak in de gehechtheid van de bevolking aan de oude religie. Begin 1590 arriveerde Remeus de Monier als predikant.

Hoe groot was de gemeente in de beginjaren?

Bij de start van de gemeente in 1590 waren er vijf leden: de dominee en zijn echtgenote, de schoolmeester en twee andere mannen. Op zondag 13 mei 1590 bediende Remeus de Monier voor de eerste keer de heilige doop, op 3 juni werden 22 nieuwe lidmaten aangenomen en op 10 juni, Pinksteren, volgde de viering van het heilig avondmaal. Zeven dagen later werden twee ouderlingen en twee diakenen gekozen.

In 1596/1597 werd, vanwege het groeiende aantal kerkgangers, in plaats van het koor een ander deel van de kerk geschikt gemaakt. In 1638, toen voor het eerst een lidmatenlijst werd opgesteld, waren er 212 lidmaten.

Wie was de eerste predikant?

Remeus (ook wel: Hermus) de Monier, een Vlaming die zich geroepen wist om Gods Woord te verkondigen. Hij werd geboren in Ronse. Tegelijk met zijn ouders werd hij in 1570 verbannen en hun bezittingen werden in beslag genomen. Zeven jaar later kon hij als predikant terugkeren naar zijn geboortestad. Vervolgens was hij predikant in Stekene in het Land van Waas. Daar vluchtte hij in 1583, toen dit gebied weer onder het gezag van de Spaanse koning was gebracht. De Monier werd een jaar later predikant in Nieuwe Niedorp (Noord-Holland). In 1590 kwam hij naar Bruinisse. De Monier overleed in 1605. Hij was in een aantal opzichten eigenzinnig. Zo week de predikant weleens af van het doopformulier. Ook preekte De Monier wel zonder tekst, waarover hij bij herhaling werd vermaand.

Hoe ontwikkelde de gemeente zich verder?

Aanvankelijk was Jonas de Monier, predikant in Noordgouwe en Kerkwerve, beroepen als opvolger van zijn vader. Niet hij maar Jacob Baelde werd in 1606 de nieuwe predikant. In de beginperiode was er veel te reformeren, en herinnerde nog veel aan de rooms-katholieke periode. Zo werd de schoolmeester in 1601 vermaand dat hij met Pasen geen eieren van de scholieren moest vragen „dewijl ’tselve een wijse van ’t pausdom is.”

Van der Baan vatte het werk van de twee pioniers samen: „Daarom moet men steeds eerbied gevoelen voor die eerste predikanten, waarvan de meesten, na een veelbewogen leven, hunne kerkelijke loopbaan tegelijk met hunne aardsche konden besluiten in de overtuiging, een hoeksteen te zijn geweest voor het gebouw des Geloofs.”

Dit is deel 23 in de serie Reformatie in de Nederlanden. Op 19 september deel 24: Utrecht.