„Ik besta. Ik leef. Dankzij een dominee”

Schuldbelijdenis jodenvervolging
Drs. G. C. Hovingh. beeld Sjaak Verboom

Handelden de kerken nu wel of niet fout in de oorlog? In de discussie over het belijden van kerkelijke schuld is behoefte aan feiten. Drs. G. C. Hovingh verzamelt namen van predikanten die Joden hielpen.

Het idee om een lijst aan te leggen, ontstond in Yad Vashem, het officiële monument voor slachtoffers van de Holocaust in Jeruzalem, vertelt de historicus en gereformeerd emeritus predikant uit het Drentse Zuidlaren. Hij bezocht Yad Vashem zo’n tien jaar geleden, samen met collega-predikanten. Lamgeslagen door de rijen kille cijfers en de portretten van anderhalf miljoen Joodse kinderen die zijn omgekomen, raakte de groep in gesprek met de gids.

Ds. Hovingh: „Hij zei: „Wat als voorgangers en kerken samen hadden geprotesteerd destijds? Wat zouden jullie doen in die situatie?” Nou, dan ligt het op je bordje. Ik had op dat moment geen weerwoord, moet ik zeggen, maar ik had het idee dat er toch best veel gedaan is.”

Daarin was hij niet de enige. Lange tijd bestond het idee dat Nederland het nog niet zo slecht had gedaan tijdens de oorlogsjaren.

De emeritus predikant, die in 1995 een biografie schreef over verzetsheld Johannes Post, kende de namen van bekende verzetsmensen, zoals die van ds. Frits Slomp en ds. B. J. Ader, bekend van het boek ”Een Groninger pastorie in de storm”. Met name gereformeerden hebben volgens hem „altijd een goede pers gehad.” Lou de Jong becijferde dat een kwart van de gereformeerden (die toen 10 procent van de bevolking uitmaakten) actief was in het verzet. Het gewapende verzet althans, dat zich bezighield met het overvallen van distributiekantoren om voedselbonnen te bemachtigen, en met het vervalsen van persoonsbewijzen.

Maar dat is niet het hele verhaal. Het creëren van onderduikadressen was in eerste instantie bedoeld voor gereformeerde jongens die voor de ”Arbeitseinsatz” naar Duitsland moesten. „Pas toen bleek dat er ook Joodse onderduikers waren. Al in 1942 gingen er Joden op transport. Tot die tijd hebben de kerken –ook de gereformeerde– zich met betrekking tot de hulp aan Joodse onderduikers veel te terughoudend opgesteld.”

Ds. Hovingh zet alleen predikanten op de lijst van wie hij zeker weet dat ze Joden hielpen. Op dit moment telt zij 528 namen. Op een totaal van ongeveer 3000 predikanten is dat 16,6 procent. Hervormden en gereformeerden houden elkaar zo’n beetje in evenwicht: 214 hervormde (40 procent) en 195 gereformeerde predikanten (bijna 37 procent) bekommerden zich om hun Joodse medemens. De achtergrond van de hervormden varieert van „confessioneel tot vrijzinnig”. Hervormd-gereformeerden categoriseert ds. Hovingh apart. De lijst is digitaal ondergebracht bij het Historisch Documentatiecentrum (HDC) van de Vrije Universiteit Amsterdam.

2020-11-09-KRK2-jood-8-FC-V_webPKN belijdt schuld tegenover Joden

Uitzonderingen

De belangrijkste ontdekking bij het aanleggen van de lijst is volgens de predikant dat vrijzinnige richtingen veel eerder en beter naar Joden omzagen dan anderen. „De Remonstrantse Broederschap heeft als enige Nederlands kerkgenootschap officieel geprotesteerd tegen de Jodenvervolging in Duitsland in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Dat terwijl de Nederlandse Hervormde Kerk al vrij snel geconfronteerd werd met wat er in Duitsland gebeurde, onder meer doordat ze Karl Barth enkele malen uitnodigde. Barth stond in contact met de Bekennende Kirche en verzette zich fel tegen de ”Deutsche Christen”, protestanten die de nazi-ideologie omarmden.”

Zeker waren er ook orthodoxe en bevindelijk-gereformeerde predikanten bij de hulp aan Joden betrokken, zegt ds. Hovingh, maar dat waren uitzonderingen. Op zijn lijst staan acht hervormd-gereformeerde predikanten vermeld (1,5 procent): G. Boer, L. G. Bruyn, Jac. van Dijk, G. J. Koolhaas, J. H. F. Remme, J. van Rootselaar, J. C. Terlouw en T. G. Vollebregt.

Twee predikanten uit de lijst zijn afkomstig uit de Gereformeerde Gemeenten: J. B. Bel en R. Kok. Van de laatste is onder meer bekend dat hij in de oorlog in conflict kwam met ds. G. H. Kersten over de vraag of er een Joods meisje moest worden toegelaten op de school waarvan ds. Kok oud-voorzitter was. Later stonden de twee nog eens tegenover elkaar, toen de bezetter scholen in 1941 de opdracht gaf om het aantal Joodse leerlingen te melden. Het schoolbestuur -lees: ds. Kok- weigerde, terwijl ds. Kersten erop aandrong het meisje aan te geven.

Opmerkelijk is dat de naam van ds. Jozias Fraanje eerder wel, maar nu niet meer op de lijst van ds. Hovingh voorkomt. Dat ds. Fraanje soms voor onderdak voor onderduikers zorgde en een enkele keer voor hen preekte, heeft ds. Hovingh „onvoldoende hard kunnen maken”, legt hij uit. Hij hoopt dan ook dat er reacties zullen komen van mensen die hem aan bewijsmateriaal kunnen helpen.

De elf christelijke gereformeerde predikanten op de namenlijst (2 procent van het totaal) zijn G. W. Alberts, H. Biesma, J. Drenth, H. W. Eerland, A. Gruppen, J. Kampman, L. Kraan, H. van Leeuwen, A. Ponstein, W. Ruiter, K. G. van Smeden en A. Zwiep.

Er zijn méér predikanten die zich moedig verzetten tegen de Duitse overheersing, maar omdat van hen (nog) niet bekend is dat zij Joden hielpen, ontbreken ze op de lijst.

Het mooie is, zegt ds. Hovingh, dat het aantal ‘goede’ predikanten waarschijnlijk nog (veel) groter was. Als een predikant tegen de lamp liep, namen collega’s vaak niet alleen het werk in de gemeente over, maar ook de zorg voor onderduikers. Het aantal namen op ds. Hovinghs lijst groeit dus nog steeds, met dank aan internet.

„Ik ben er diep van onder de indruk”, zegt hij. „Ik had nooit verwacht dat het er zo veel waren. Ook mensen die zelf de oorlog meegemaakt hebben, zijn verbaasd over de hoeveelheid helpers. Het klinkt misschien wat provocerend, maar 38.000 Joodse onderduikers hebben het overleefd. Op het totaal is dat niet veel. Maar ze overleefden.”

Hij krijgt op dit moment veel Joodse reacties. „Een meneer uit Zurich mailde me: „Het feit dat ik besta, dat ik leef, komt omdat mijn moeder is gered door ds. Dirk Boon.” Schuld belijden? Hij vraagt zich af waar de kerk het over heeft.”

Wat betekent dat voor uw visie op de kerkelijke schuldbelijdenis?

„Ik heb contact met een zoon van ds. C. Keers. Ds. Keers stond in de oorlogsjaren in Lemelerveld en was hecht bevriend met ds. H. Berkhof. Net als Berkhof deed hij veel voor de Joden en als gevolg daarvan moest hij voortdurend onderduiken. Het gezin ging dan natuurlijk mee. Zijn zoon vertelde dat ze uiteindelijk op een boerderijtje terechtkwamen, waar ze de oorlog overleefden. Hij stuurde onlangs een brief naar dr. R. de Reuver, scriba van de Protestantse Kerk, als reactie op het nieuws over de schuldbelijdenis. Hij vindt dat er ook een gebaar, een excuus moet worden gemaakt aan de nabestaanden van predikanten die zich wél hebben ingezet voor Joodse onderduikers, soms ten koste van alles. Een excuus voor het feit dat de kerk het heeft laten afweten om de predikanten in oorlogstijd moreel te ondersteunen.”

Staat u ook achter het belijden van kerkelijke schuld richting Joden?

„Ik vind het een beetje vrijblijvend. We zijn aan het einde gekomen van een herdenkingsjaar en we leven volop in een excuuscultuur: de banken, de politie en de NS gingen door het stof. En nu moeten de kerken ook nog. Ik zeg het wat badinerend, maar ik vind dat obligaat, plichtmatig. En het is natuurlijk veel te laat. Begin jaren zestig wisten we al hoe verschrikkelijk de Holocaust de Joodse gemeenschap heeft uitgedund. Nota bene ds. J. J. Buskes, die zich heftig tegen de Jodenvervolging had gekeerd, schreef na het lezen van ”Ondergang” van dr. Jacques Presser in het kerkblad: „Ik heb een nacht niet geslapen.” De volgende dag zei hij: „We hebben nog te weinig gedaan.”

Ook in de jaren negentig, rondom de vijftigjarige herdenking van de oorlog, had het gekund, stelt ds. Hovingh. Het werk van Lou de Jong was compleet. Hij had uitgebreid over de rol van de kerken geschreven.

Door zijn speurwerk is de predikant uit Zuidlaren al heel wat schrijnende maar ook bijzondere verhalen tegengekomen. Zoals over ds. J. van Rootselaar, hervormd-gereformeerd predikant in Wanswerd (Friesland), die een beroep aanneemt naar het Gelderse Oosterwolde. Het Joodse echtpaar dat in de Friese pastorie onderduikt, moet mee. Ds. Van Rootselaar bedenkt een plan. Hij bestelt twee boekenkisten en laat er voor de zekerheid wat extra gaatjes in boren, voor frisse lucht. Per kist verhuist het echtpaar naar Oosterwolde, waar het de oorlog overleeft.

De meeste recente update van de namenlijst is op deze website te vinden. Aanvullingen of correcties kunnen daar ook worden doorgegeven.

Kristallnacht vormde ‘grenspredikanten’

De kerken hadden in de jaren dertig van de vorige eeuw de moed niet om de oosterburen aan te spreken op de opspelende Jodenhaat, ook niet na de Kristallnacht, de nacht van 9 op 10 november 1938. Dr. Jan Dirk Wassenaar beschrijft in het boek ”Naaste verwanten” hoe enkele hervormde predikanten uit het oosten van het land hierop een uitzondering vormden. Het gaat om ds. H. Berkhof uit Lemele (de latere hoogleraar), ds. R. Bijlsma uit Hellendoorn en ds. P. J. Mackaay uit Westerhaar.

Samen met ds. J. B. Th. Hugenholtz uit Ammerstol bezoeken ze op 10 november enkele Duitse collega’s (sympathiserend met de ”Bekennende Kirche”) met wie ze eerder dat jaar een soort kerkelijke oppositiegroep hebben gevormd. Onderweg komen ze langs de nog nasmeulende synagoge in Neuenhaus, net over de Duitse grens. De Duitse collega’s die ze in de pastorie van ds. A. Rosenboom (Neuenhaus) aantreffen, zijn allen diep onder de indruk. De berichten over het geweld blijven binnenkomen. Ds. W. Grundler (Veldhausen) zegt op enig moment: „Nu raken ze Gods oogappel aan. Hij zal het wreken aan ons volk.”

Het gezelschap spreekt over hoe de reactie van de kerk in Duitsland zou moeten zijn. Tijdens de eerstvolgende zondag bidden de Duitse predikanten openlijk voor de Joden. Daar was veel moed voor nodig. Berkhof en Bijlsma zullen veel betekenen voor het kerkelijke verzet.