Het bewogen leven van dr. Jochem Douma

Met zijn autobiografie zette prof. J. Douma een punt achter zijn publicitaire arbeid. beeld Anton Dommerholt
2

Na een werkzaam leven legt dr. Jochem Douma de pen neer. Zaterdag werd zijn laatste boek gepresenteerd: de autobiografie ”Onderweg”. „Het is onze taak om mee te werken aan de eenheid van allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben.”

Dat hij nog leeft, ervaart Jochem Douma als een wonder. Een zusje overleed op jonge leeftijd en het zag ernaar uit dat ook hij niet oud zou worden. In totaal moest hij vier jaar kuren voor tuberculose. Intussen is hij 87 jaar oud; het merendeel van zijn broers is hem ontvallen. De achterliggende maanden was hij druk met het vastleggen van zijn bewogen leven, een karwei dat zowel fysiek als mentaal sporen trok. Dit is dan ook het laatste boek van de emeritus hoogleraar.

2019-04-15-KRK1-Douma-2-FC_webProf. Harinck: Prof Douma zorgde voor een brede blik in de GKV

Waardoor ontstond bij u de roeping tot het ambt?

„Al op jonge leeftijd had ik het verlangen om predikant te worden. Dat groeide door de omstandigheden in mijn jeugd. Ik voelde me sterk betrokken bij de kerkelijke situatie die zou leiden tot de Vrijmaking in 1944. Als tbc-patiënt had ik alle tijd om de stukken te lezen die mijn vader, kerkenraadslid in Stadskanaal, me aanreikte. Toen de christelijke hbs in Stadskanaal een lyceum werd, ben ik meteen overgestapt naar de gymnasiale afdeling, om na het eindexamen naar Kampen te kunnen.”

Een bedaarde weg naar het predikantschap.

„Ja, ik heb nooit de opvatting gehad dat je daarvoor een bijzondere roeping moet voelen. Daar kreeg ik pas mee te maken toen de gemeente van Rijnsburg mij beriep als predikant. Toen durfde ik met het bevestigingsformulier ”ja” te zeggen op de vraag of ik ervan overtuigd was dat God Zelf mij door Zijn gemeente tot deze heilige dienst had geroepen.”

Wat bracht u ertoe om na Kampen in Amsterdam te gaan studeren?

„Dat hing samen met het opnieuw opvlammen van de tuberculose. Omdat ik thuis niet goed herstelde, kwam mijn huisarts met de mededeling dat ik het beste een periode naar het Nederlands Studentensanatorium kon gaan. Dat was een bittere tegenvaller. Ik herinner mij nog goed met hoeveel tegenzin ik eind 1954 naar Laren reisde.

Tot mijn verrassing heb ik in deze naar ik verwachtte vijandige wereld een goede tijd gehad. Kuyper begint zijn uiteenzetting over de gemene gratie met de opmerking dat de wereld vaak meevalt terwijl de kerk vaak tegenvalt. Het eerste deel van die stelling zag ik in Laren bevestigd. Bovendien werd me in die periode de financiële mogelijkheid geboden om na het voltooien van mijn Kamper studie een doctorale opleiding in Amsterdam te volgen, met als studieleider prof. Van Niftrik.”

Die door de befaamde doctor K. Schilder krachtig was bestreden!

„Ik heb Schilder, een groot geleerde, nog als docent meegemaakt. Vrij plotseling overleed hij, 61 jaar oud. Met Van Niftrik liep het aanvankelijk wat stroef, maar dat veranderde snel. Eenmaal heeft het tussen ons gebotst, tijdens een vergadering waar ik meende hem te moeten weerspreken. Hij heeft er mij later nooit op aangesproken. Van Niftrik deelde graag een stoot uit, maar kón ook tegen een stootje.”

Hoe beleefde u uw jaren als gemeentepredikant?

„Door mijn opname in het Studentensanatorium en mijn tweejarig verblijf in Amsterdam leerde ik over een aantal zaken genuanceerder te denken dan in vrijgemaakte kring doorgaans het geval was. In Rijnsburg kreeg ik te maken met het conflict rond de zogeheten Open Brief van 1966. De opstellers wilden de muren tussen de synodaal gereformeerde en de vrijgemaakte kerken slechten. Ik heb mij daartegen verzet, omdat ik voluit gereformeerd wilde blijven. Tegelijk pleitte ik in mijn brochure ”Herinnering en verwachting”, die ik in 1969 in Brunssum schreef, voor tolerantie, lankmoedigheid en matigheid.”

U kreeg het imago van een ruimhartige vrijgemaakte.

„Als predikant en later als hoogleraar in Kampen ging ik me verzetten tegen het zich opsluiten binnen de vrijgemaakte kerk als de enige ware kerk in Nederland. Zo was er binnen de kerkenraad van Rijnsburg een sterke huiver om contact op te nemen met de plaatselijke christelijke gereformeerde kerk voor samenwerking binnen het christelijke bejaardencentrum. Ik zeg er overigens meteen bij dat we zowel in Rijnsburg als Brunssum zeer goede jaren hebben gehad.”

Hoe was de relatie met uw collega-hoogleraren in Kampen?

„We hebben in eendracht samengewerkt aan de reorganisatie en uitbouw van onze theologische opleiding. Naar mijn mening behoorden de jaren van 1970 tot 2000 tot de rustigste die de Kamper universiteit in haar bestaan vanaf 1854 heeft meegemaakt.”

Toch was het niet enkel pais en vree, leert uw autobiografie.

„Met mijn rubriek Kerkelijk leven in het weekblad De Reformatie ben ik gestopt vanwege toenemende kritiek binnen de redactie op mijn visie dat we ook aandacht moeten hebben voor de kerk als onzichtbare vergadering van alle gelovigen, binnen én buiten onze eigen kerk. Collega Trimp steunde mij daarin, collega Kamphuis dacht er anders over. Het leidde tot een redactiewisseling bij De Reformatie, overigens zonder enige deining in de kerk. We beseften dat dit verschil in opvattingen geen kerkelijke breuk waard was. Bovendien stemde het Trimp en mij positief dat gereformeerde politici zoals Jongeling en Verbrugh ons steunden. Langzaam maar zeker kwam het tot samenwerking tussen het GPV en andere christelijke groeperingen.”

Hoe stond u tegenover de verschuivingen binnen de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt in de achterliggende twintig jaar?

„Tot 2009 was ik van mening dat die verschuivingen wel meevielen. Daarna gingen mijn ogen open voor het verval. Wat me vooral verbaasde, was het zwijgen van docenten en predikanten die vroeger zeer strijdbaar waren in het veroordelen van ongereformeerde opvattingen.”

Hoe ziet u de relatie tussen de ethische en de theologische verschuivingen?

„Wanneer man en vrouw in de wereld volkomen gelijke rechten hebben, groeit in de kerk de druk om de vrouw in het ambt te aanvaarden. Als samenwonen een gewone zaak is, wordt het ook binnen de kerk moeilijker het huwelijk in ere te houden. Als homoseksualiteit vanzelfsprekend wordt, vraagt het moed om deze vorm van seksualiteit binnen de kerk af te wijzen. Ik heb de Nashvilleverklaring niet getekend, vanwege de suggestie dat een homofiele gerichtheid door bekering en gebed kan worden overwonnen. Dat doet onvoldoende recht aan de moeiten van homoseksuelen, maar de woede die uitbarstte tegen de ondertekenaars deed mij niet vergeten dat ik helemaal aan hun kant sta in het afkeuren van de homoseksuele praxis op grond van de Bijbel.

Deze voorbeelden illustreren de in uw vraag aangegeven volgorde. Eerst zwicht men voor de tegenwoordige wereld, vervolgens probeert men die wending theologisch goed te praten. Ik weet ook in mijn persoonlijk leven hoe groot de verzoeking kan zijn om water bij de wijn te doen, maar wie Christus wil navolgen, moet beseffen dat dit volgen ook kruisdragen betekent. Door de ontwikkelingen ging ik me steeds meer een vreemde voelen in de kerk waarin ik opgroeide en meer dan 25 jaar als docent heb gewerkt.”

Wat gaf de doorslag om die in 2014 te verlaten?

„Het vergoelijken van het afwijken van de gereformeerde confessie, het in de praktijk aanvaarden van ongehuwd samenwonen en homoseksueel verkeer, de steeds luidere roep om toelating van vrouwen tot de kerkelijke ambten, de afbrokkeling van het onderwijs in de christelijke leer in de middagdiensten en de liturgische veranderingen. De psalmen, hét liedboek van de christelijke gemeente, worden meer en meer verdrongen door oppervlakkige evangelische opwekkingsliederen, met meer aandacht voor het individuele geloof dan voor de beleving van het verbond met God, waarvan de psalmen getuigen.”

Hoe hebt u het afscheid beleefd?

„Mijn vrouw en ik hebben er jaren over gedaan om tot deze verdrietige stap te komen. We konden in alle rust afscheid nemen. In de tijd van de Vrijmaking ging het er heel wat heftiger aan toe. Toch ervoer ik het zetten van de stap ook nu als een bevrijding. In de kleine kring van de Gereformeerde Kerken in Nederland voelen we ons thuis. De kerkdiensten ademen stilte en ernst.”

Het is wel een érg klein verband.

„Het gevaar dat elke kleine kerkelijke gemeenschap bedreigt, is een sterke interne gerichtheid. Het doet mij daarom goed dat de GKN actief betrokken zijn bij missionaire activiteiten in Duitsland en het vormen van Schriftgetrouwe gemeenten in dit buurland. Daarnaast ondersteunen wij het werk van het Reformatorisch Theologisch Seminarie in Heidelberg. Het is onze taak om mee te werken aan de eenheid van allen die de gereformeerde belijdenis liefhebben, in Nederland en wereldwijd. Daarbij denk ik ook aan De Gereformeerde Kerken hersteld. Ik betreur het dat die zich ten opzichte van ons blijven gedragen als keurmeesters.

We hebben behoefte aan medestanders die duidelijk confessioneel gebonden willen zijn. Tegelijk moeten zij niet pretenderen de enig ware gereformeerde kerk te zijn. Zeker kleine kerkelijke gemeenschappen dienen ook Gods genade buiten eigen kring met dankbaarheid te erkennen.”

Onderweg, Jochem Douma; uitg. Brevier, Kampen, 2019; 448 blz.; € 29,99.

Prof. dr. Jochem Douma

Jochem Douma (1931), de zevende in een gezin met elf kinderen, groeide op in Stadskanaal, waar zijn vader leidinggaf aan de School met de Bijbel. Na zijn theologische opleiding in Kampen en Amsterdam was hij gemeentepredikant in Rijnsburg en Brussum. In 1966 promoveerde hij op een dissertatie over de betekenis van de algemene genade in het theologisch denken van de theologen A. Kuyper, K. Schilder en Joh. Calvijn. Vier jaar later werd hij benoemd tot hoogleraar ethiek aan de Theologische Hogeschool van de Gereformeerde Kerken vrijgemaakt, in Kampen.

In de decennia die volgden publiceerde Douma over vrijwel alle ethische dilemma’s. Van 1993 tot 1997 combineerde hij zijn taak in Kampen met die van hoogleraar op de bijzondere leerstoel medische ethiek aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De gereformeerde ethicus kreeg brede bekendheid door zijn voorzitterschap bij de VBOK, en door zijn pogingen om na de polio-uitbraken van 1978 en 1992 de visie op vaccinatie binnen de gereformeerde gezindte te beïnvloeden. Beide keren op verzoek van de toenmalige staatssecretaris van volksgezondheid. De eerste keer deed hij dat samen met zijn Apeldoornse collega dr. W. H. Velema. De tweede keer trok hij op met ds. A. Moerkerken (Gereformeerde Gemeenten) en de rooms-katholieke hoogleraar P. F. Maas.

Na zijn afscheid van de Theologische Universiteit Kampen, in 1997, ontpopte Douma zich als Bijbeluitlegger. Hij schreef een serie boekjes over het Oude Testament voor een Bijbelcursus die hij gaf, samen met ds. Adrian Verbree. Daarna publiceerde hij een vierdelige serie over de Psalmen. Zijn orthodox-oecumenische gezindheid kwam tot uitdrukking in de vele internationale kerkelijke contacten die hij na zijn emeritaat bleef onderhouden. In 2006 verleende de theologische academie in het Hongaarse Sárospatak hem een eredoctoraat.

In 2014 nam de emeritus hoogleraar afscheid van de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt), vanwege de ontwikkelingen in dit kerkverband. Hij sloot zich aan bij de GKN-gemeente in zijn woonplaats Hardenberg. Door zijn autobiografie, die zaterdag werd gepresenteerd, geeft hij de lezer een beeld van zijn leven en legt hij rekenschap af van de door hem gemaakte keuzes.

Prof. Douma is gehuwd met Jo Wigboldus. Het echtpaar heeft drie geadopteerde kinderen.