Hebreeënbrief voor ‘vergeten’ ultraorthodoxe Joden

Onderonsje tussen twee ultraorthodoxe Joden in de Israëlische stad Bnei Brak. beeld Alfred Muller

Stichting Israël en de Bijbel presenteert deze maand in de Verenigde Staten een tweetalige versie van de Brief aan de Hebreeën, samengesteld met het oog op de charedim, ultraorthodoxe Joden.

Vier vragen aan en antwoorden van hebraïcus dr. P. A. Siebesma uit Harskamp, die in opdracht van de stichting meewerkte aan deze uitgave.

Wat is de aanleiding voor het maken van dit boek?

„Vorig jaar bleek tijdens een conferentie van Messiasbelijdende Joodse gemeenten en organisaties dat er behoefte was aan materiaal om te kunnen verspreiden onder ultraorthodoxe Joden in New York en Israël. Ook voor veel christenen zijn deze Joden een onbekende doelgroep. De meeste evangelisten richten zich toch op de seculiere Israëli’s en mede op de orthodoxen, maar niet zozeer op de ultraorthodoxe groep. Het is ook moeilijk om met deze mensen in contact te komen. Chassidische Joden vormen gesloten gemeenschappen. Ze hebben geen televisie, vaak ook geen radio, en een eigen internetfilter. In New York mogen ultraorthodoxe Joodse mannen zelfs niet naar vrouwenstemmen luisteren. Daarom hangt er in de orthodox-Joodse boekwinkel een bord: ”Pas op, op deze CD’s zijn vrouwenstemmen te horen”.”

Met welke reden publiceert de stichting van alle nieuwtestamentische boeken juist de Hebreeënbrief?

„We willen de charedim nadrukkelijk laten zien dat het Nieuwe Testament geen anti-Joods boek is, maar juist een heel Joods boek. De Brief aan de Hebreeën (letterlijk: Brief aan de Joden) is gericht aan Joodse christenen en gaat over vragen die orthodoxe Joden naar mijn idee beter begrijpen dan wij. Hoe kan een hogepriester offers brengen ten behoeve van een volk terwijl hij zelf zondig is? Dat soort vragen leefden in de eerste eeuw en ook daarna is ermee geworsteld. De Hebreeënbrief geeft hier duidelijk een antwoord op. We zijn blij als ultraorthodoxe Joden hiervan kennisnemen.”

In welke talen is de brief weergegeven?

„De rechterpagina bevat de Hebreeuwse tekst, de linkerpagina de Jiddische vertaling. Chassidische Joden kennen het Hebreeuws en hun moedertaal is Jiddisch –dat afstamt van het Duits en voor de oorlog ook door seculiere Joden gesproken werd–, in tegenstelling tot de seculiere meerderheid die modern Hebreeuws, Ivriet, spreekt. Als je ultraorthodoxe Joden wilt laten kennismaken met het Nieuwe Testament, is een vertaling in modern Hebreeuws dus niet geschikt. Het verschil tussen het oudtestamentische Hebreeuws en het Ivriet is vergelijkbaar met het verschil tussen het moeilijk te begrijpen veertiende-eeuwse Nederlands en de taal die we vandaag de dag spreken. ”

Waaruit bestond uw bijdrage aan het boek?

„Samen met David van Capelleveen heb ik de Hebreeuwse vertaling van Salkinson-Ginsburg, die al wat ouder is, gereviseerd. Daarnaast brachten we de Jiddische vertaling van H. Einspruch in overeenstemming met de Textus Receptus, de eerste Griekse tekst van het Nieuwe Testament die door middel van de boekdrukkunst verspreid werd. Zo hebben we bijvoorbeeld de zin „naar de ordening van Melchizedek” toegevoegd, een zin die wel in de Textus Receptus staat, maar niet in de Jiddische vertaling, zodat de beide teksten in het boek parallel aan elkaar lopen.

Zie ook Accent pagina 10 voor een reportage over het werk van Stichting Israël en de Bijbel.