Haagse Spurgeon in Kamp Amersfoort

In Kamp Amersfoort hebben ze hem kaalgeschoren, een oud soldatenpak aangedaan, klompen én een nummer gegeven: 851. Het deerde ds. D. A. van den Bosch niet meer. In Amersfoort mocht hij tenminste weer preken, clandestien, voor zijn medegevangenen. En dat deed hij, over Lukas 14:17: „Komt, want alle dingen zijn nu gereed.”

Dirk Arie van den Bosch wordt op 23 oktober 1884 geboren in een confessioneel hervormd gezin te Hazerswoude. Dat hij predikant moet worden, is deze boerenjongen al gauw duidelijk. Zijn eerste gemeente is het polderdorp Nieuw-Vennep. Zijn tweede gemeente is Stedum in het Groningerland. De bekende Julianakerk in Den Haag wordt zijn derde gemeente.

De naam Van den Bosch raakt bekend. Door zijn gunnende prediking noemt men hem wel ”De grootste bedelaar van Den Haag”. En door zijn verschijning wordt hij ook wel de ”Haagse Spurgeon” genoemd.

In 1940 vallen de Duitsers het land binnen. Hier wordt iemand opgepakt. Daar valt een slachtoffer. Op 11 december staan er twee mannen aan de deur van de pastorie aan de Laan van Meerdervoort. Of de dominee thuis is. Van den Bosch moet mee. Kort neemt hij afscheid, van vrouw en kinderen, want het is maar voor even, hebben de mannen gezegd. Hij heeft zijn gezin niet meer teruggezien.

Ds. Van den Bosch (hij zou in zijn preken anti-Duitse geluiden hebben laten horen) wordt gevangengehouden in het Scheveningse Oranjehotel, ofwel: de Deutsche Untersuchungs- und Strafgefängnis. Cel 399 krijgt hij. Hij heeft maar één troost: „Ze kunnen me nergens brengen waar God niet is.”

De dagen en de weken rijgen zich aaneen. Soms is de predikant de wanhoop nabij. Soms kan hij alles overlaten aan de Heere: „God regeert.” Op een toiletpapiertje schrijft hij: „Wij willen eruit, maar God zegt: binnen blijven. Wij willen werken, maar God zegt: wachten. Wij willen weten, maar God zegt: vertrouwen.”

Aan zijn vrouw schrijft hij: „God weet het beter dan jij en ik. Hij laat geen druppel teveel vallen in de beker der bitterheid, die Hij te drinken geeft.” En een paar dagen later: „’t Lijkt ons soms wat al te bitter en dan schuiven wij de beker terug, die ons over de tafel wordt toegereikt, maar we vergeten dan dat het Vaders hand is, die hem gemengd heeft en hem ons toeschuift.”

Na maanden wordt Van den Bosch overgebracht naar Kamp Amersfoort. Daar ontmoet hij zijn vierde en laatste gemeente: zijn medegevangenen. Op zondag kan hij een woord kwijt, aan een gemeente van kaalgeknipte ongelukkigen met holle ogen van de honger. Bij elkaar zitten ze dan, om toch maar te kunnen verstaan wat Van den Bosch tot hen zal preken.

Naar huis schrijft de predikant: „Er is zooveel vertroosting in Gods Woord. Rijke kracht ontving ik en gaf ik door uit Ps. 146:5 en Ps. 23:1.” In bezorgdheid besluit de vader zijn brief: „Pas goed op julliezelf. De jongens moeten levertraan. Dag! Dag! Dag!”

In Kamp Amersfoort maait de dood met forse slagen. Ook de dominee wordt ziek. Het gaat niet goed met hem. Dysenterie, de schrikwekkende begeleider van hongeroedeem, heeft zijn lichaam aangegrepen. Op zijn brits zegt hij halfluid voor zichzelf psalmen en gezangen op, soms hele stukken uit de catechismus. De meeste tijd wacht hij, stil en geduldig, of God hem al roepen zal. Buiten gaat het gewone kamprumoer voort, van Duitse commando’s, gestamp van laarzen, gevloek, geschreeuw, een pijnkreet van een mishandelde.

Het is 20 maart 1942, een gure ochtend. „’s Morgens om 8 uur roept de jongeman die links van hem ligt, en die een paar dagen tevoren zijn gezangenboekje had gekregen, een verpleger, dat hij eens komen moet. Als deze bij het bed staat, wordt juist geluid voor het morgen-appel. Maar Van den Bosch is eindelijk opgeroepen voor een ander, een Goddelijk appèl. God heeft gezegd: Nu is het genoeg, en rustig is hij ingeslapen.”

Een van de gevangenen die buiten op de appelplaats staan, schrijft later in een brief aan de weduwe Van den Bosch: „Mevrouw, u zult het misschien gek vinden, en ook niet geloven, maar ik verzeker u, dat wij in het kamp die morgen meer verloren dan u.”

Het zijn gevangenen die de kist van ds. Van den Bosch het kamp uitdragen, uit zijn laatste gemeente. De begrafenis heeft in stilte plaats op de begraafplaats Rusthof te Amersfoort.

Dit is de laatste aflevering in een vierdelige serie over in de Tweede Wereldoorlog omgekomen predikanten.