Ervaringen op de kansel: Dominee, ziet u ons wel zitten?

De preek
beeld Sjaak Verboom

Op de kansel staat een mens, maar wel een die de stem van God mag zijn. Hoe beklimt een predikant de preekstoeltrap? Voor deze bijlage schreef een predikant zijn persoonlijke ervaringen op. „Het is Christus Zelf Die van mijn preekschrift Evangelie kan maken.”

„„Zeg dominee, ziet u ons eigenlijk als u preekt?” Het is een vraag die mij meer dan eens gesteld is. De bewuste persoon bedoelt: „Registreert u dat eigenlijk allemaal, wat er gebeurt in de dienst? Ziet u ons? Ziet u aandacht, of de afwezigheid daarvan? Ziet u de emoties, welke kant die ook opgaan? Ziet u het draaiende kind, of een slapende ouder? Ziet u de instemming, of de afwijzing?”

Ik zie het. Al heb ik mezelf er al meermalen op betrapt dat ik het wel zie, maar niet altijd juist interpreteer. Maar ik zie het. Het wordt geregistreerd. Veel daarvan althans.

Ik wil een poging doen om woorden te vinden voor wat er gebeurt als ik preek. Ik probeer het, want soms bevat ik het zelf niet eens. Preken is prachtig – en het is tegelijkertijd ondoorgrondelijk. Ik ben een mens van gelijke beweging als de kerkganger. Mens net als zij in de bank. Sommige hoorders willen dat niet geloven en beschouwen mij daarom als een bijzonder mens. Maar dat ben ik niet. Ik ben mens, net als iedereen.

Als er al verschil is tussen de hoorder en mij, dan slechts dit: de roep van de Heere zondert mij telkens weer af om stem van God te zijn. Maar ik heb geen ander verlangen dan om samen met mijn medemens „onder het Woord” te zijn. Letterlijk. Eronder.

Vermenigvuldigen

Het is zondag. Een preek is een wonderlijk ding. Een tekst van een paar woorden vermenigvuldigt zich tot een preek van drie kwartier. Daartussen ligt een wereld van overdenking, van studie, van gebed, van pastoraat en wat dies meer zij. Een preek groeit. Hij rijpt. Als wijn in eiken vaten. Als kaas op een plank.

De ene preek is meer belegen en rijper dan de andere. Waarom? ”Tijd” heet dat vandaag. Niemand heeft die meer. Ik vaak ook niet. Tenzij ik die maak.

„Het gaat ons om de prediking, dominee!” Dat neem ik graag aan. Maar ik vrees dat diegene bedoelt: het gaat ons om de zondag, om het eindproduct.

Hoe die preek er komt? „Tja, dat is uw werk.” Dat weet ik. Ik vecht ervoor. De Heere is het namelijk waard. En Gods gemeente is het waard.

Het spannendste van een preek is de toepassing. Ik probeer die niet als laatste te doen, maar vanaf de eerste minuut erin te weven. Bij de uitleg heb ik mijn kundige hulpen die ”uitleggers” heten. Maar de toepassing, die maakt het spannend.

Je kunt een Bijbelse preek hebben en toch aan de hoorder voorbijgaan. Je kunt ook een toepassing hebben die volstrekt uit het niets komt. Ik probeer de hoorders te zien.

Loodrecht

Het Woord Gods komt loodrecht van boven. Ja. Maar het moet wel ergens gaan landen. Juist op dit punt voel ik vaak de spanning: hoe kom ik binnen? „Dat is aan Gods Geest!” Ja, maar juist daarom. Je wilt Hem niet hinderen!

Ik voel vaak de generatiekloof. Ik generaliseer: er zijn jongeren die (meer dan wij waar willen hebben) volop leven in deze tijd en deze wereld. Die continu schakelen. Er zijn ouderen die hen met stijgende verbazing gadeslaan. „Gelukkig is onze dominee nog wat jong, hij weet wel wat er te koop is!” Ik betwijfel het. Ik probeer hen te begrijpen. Het Woord is relevant voor iedereen, maar het is –een stukje van– mijn taak om alle hoorders dat aan het verstand, of liever: aan het hart te brengen.

Adres

Preken is prachtig. Ik zie de gemeente zitten. Ik zie ook wie er niet zijn. Ik mis hen. Ik schud de gedachten van me af en richt me op hen die er wel zijn. „Heere, neemt U alstublieft het Woord!” „Geeft U het een adres!” „Draag Uw stem de harten binnen en schrijf Uw woorden daarbinnen op de wand!”

Een paar honderd ogen kijken mij aan. Sommige met verwachting. Inmiddels ken ik ze wel. Ze dragen mij in hun gebeden. Ze kunnen mijn tekort snel vergeven. Ze ontvangen verbazingwekkend veel. Het weinige is hun veel. Ze ontvangen wat ze in Christus’ Naam gebeden hebben: zondag is hun voederplaats. Soms straalt de Evangelievreugde van hun wangen. Soms glinsteren hun ogen van tranen. Van berouw of van vreugde. Of van allebei.

Sommige ogen zijn dof. Dof van verdriet. Medelijden vult mijn hart. Ik bid dat Christus Zelf mij woorden geeft om hen te troosten.

Andere ogen zijn anders dof. Dof van ongeloof. Zij zijn mijn diepste pijn. ”Evangeliepijn” noemde een broeder dat ooit. Deze pijn: dat Christus er is, de Zaligmaker van zondaren, allen en eenieder, maar juist zij die Hem zo bitterhard nodig hebben, gaan aan Hem voorbij. Weer. Telkens weer.

Gloed

Preken staat onder hoogspanning. Van een eeuwigheid die nadert. Soms schiet het door me heen: ik spreek als een stervende tot de stervenden. Dat besef geeft de prediking gloed. Aangestoken, niet louter door de ernst van de dood, maar vooral door de brandende liefde van Christus. Die twee horen volgens 2 Korinthe 5 bij elkaar.

Trouwens, als die gloed ontbreekt voel ik me altijd weer ontredderd. Niets is zo vaal en leeg als preken zonder gloed. Passie heet dat vandaag. Zo is het. Dat maakt dat preken altijd een geheim blijft. Dat heeft alles te maken met ”bediening”. Soms merk je het. Het Woord legt beslag. Het wordt bladstil. De bediening der verzoening voltrekt zich. Dat doet Christus Zelf, door Zijn Geest. Heerlijk als je daar getuige van bent, ook op de kansel. Dit besef houdt me klein: het is Christus Zelf Die van mijn preekschrift Evangelie kan maken; kracht Gods tot zaligheid! En Hij doet het! Onvoorstelbaar.

Als ik amen zeg, is het voor u net begonnen. Ook ik ben nog niet klaar. Elke preek die geboren is, heeft naweeën. De ene meer dan de andere. De kunst is om terug te keren tot Hem Die me gezonden heeft.

Accu

Na twee keer preken is de accu leeg. Sommige hoorders snappen dat niet. Mijn collega’s wel. Ik heb alles gegeven wat in mij was. Niet alleen het Evangelie, maar ook mijn ziel gedeeld (1 Thessalonicenzen 2:8). Gun me alstublieft wat rust om ook zelf toe te eigenen wat ik gepreekt hebt. Ik heb hetzelfde Evangelie nodig. De kansel is soms voor mij een kuuroord. Daar dringt het soms ook mijn ziel binnen: „Niet alleen voor anderen, maar ook voor mij!”

En dan is het maandag. Ik voel aan mezelf hoeveel energie ik gisteren gebruikt heb. Die vermoeidheid maakt me kwetsbaar. Voor aanvechting van buitenaf en van binnenuit. „Wat haalt het uit...?” Maar ik klem me hieraan vast: ik mag werken in Góds gemeente. Met Góds Woord. In Góds kracht. Het is maandag. „Wat ziet u? En ik zei: Ik zie een amandelroede. En de Heere zei: U hebt het goed gezien; want Ik zal wakker zijn over Mijn woord, om dat te doen!” (Jeremia 1:11-12).

Lees hier alle artikelen over het thema ”De preek”.