„Einde aan vier eeuwen theologie in Utrecht”

Ds. W. J. Dekker ontvangt de doctorsbul, vergezeld van zijn zoons Arnold en Wim. beeld RD, Henk Visscher

De promotie van ds. W. J. Dekker op Jesaja, donderdag in Utrecht, was niet alleen de laatste promotie van prof. dr. B. E. J. H. (Bob) Becking, maar „langzamerhand ook het einde van vier eeuwen theologie in Utrecht.”

„Mijn universiteit heeft een bloeiend en relevant vakgebied geofferd aan de Baäl van de bezuinigingen”, stelde oudtestamenticus prof. Becking van de Universiteit Utrecht tijdens de overhandiging van de bul aan ds. Dekker, hervormd predikant in Amersfoort (Joriskerk). De klassieke faculteit theologie is in Utrecht sinds 2014 verdwenen en bestaat nu alleen als religiewetenschap.

Ds. Dekker promoveerde op het proefschrift ”Wie is deze? Een onderzoek naar de compositie en Godsvoorstelling van Jesaja 63”. Geprezen werd het veelzijdige karakter van zijn studie, die literaire, syntactische, exegetische en theologische analyses met elkaar verbindt. Prof. dr. K. Spronk (Amsterdam) sprak van een „verbinding van perspectieven, van wetenschap en prediking.” „Uw studie is bijna holistisch, en daarmee maakt u het uzelf en ons niet gemakkelijk”, aldus dr. M. A. C. Korpel (Utrecht).

2020-01-19-KRK1-Dekker-4-FC_webPromovendus ds. W. J. Dekker: Lief Godsbeeld helpt niet in het rauwe leven

Geldt het oordeel van God nu alle volkeren of alleen Edom, wilde prof. dr. J. Dekker (Kampen) weten. De promovendus verwees naar Jesaja 34, waaruit op te maken is dat God in Edom de volkeren straft. Maar uit het vervolg van hoofdstuk 65 en 66 komt er ineens een „spanning” in het betoog van Jesaja, repliceerde hij. „Aanvankelijk is er hoop voor Israël dat God de volkeren gaat oordelen. Maar vergis je niet: ook Israël zal geoordeeld worden als het zich niet beweegt op de weg van de Tora.”

Prof. dr. A. van der Kooij (Leiden) vroeg wat nu precies de oorzaak was van de klacht van Israël in Jesaja 63:17, namelijk dat God het volk Israël doet dwalen. „U lijkt te suggereren dat het te wijten is aan de zonden van het volk. Zinspeelt hier de schrijver juist niet op de situatie dat het volk de leiders mist, mede omdat de tempel er niet meer is?” Ds. Dekker antwoordde dat in het eerste deel van de bede het aangeslagen volk met de vinger naar God wijst, maar het volk zich in het vervolg realiseert dat het zijn penibele situatie aan zichzelf te wijten heeft als gevolg van zijn zonden.

Prof. dr. W. A. M. Beuken (KU Leuven) vroeg of de titel van het proefschrift ook niet Jesaja 64 zou moeten vermelden, wat volgens Dekker te overwegen is. De promovendus ziet Jesaja 63 en 64 als een literaire eenheid, wat de Utrechtse letterkundige prof. dr. C. A. W. Brillenburg Wurth tot de kritische vraag bracht of de promovendus niet een modern perspectief van taalkundige eenheid op een antieke tekst projecteerde. Dekker had al in een vroeg stadium een „vermoeden” van de eenheid, zei hij, maar gebruikte daarom des te kritischer verschillende methodes om die eenheid ook daadwerkelijk aan het licht te brengen.