De invloed van de Nadere Reformatie op Jacob Cats

Dr. H. Uil (l.) en Kees van Walsem voor het beeld van Jacob Cats in de Nicolaaskerk in Brouwershaven. beeld RD

„Met tijd en door geduld voltrekt de Geest zijn werk.” Met deze woorden debuteerde dichter Jacob Cats vier eeuwen geleden in ”Sinne- en Minnebeelden”. „Cats heeft het hier over zijn eigen geestelijk leven”, aldus Kees van Walsem.

De oud-docent Nederlands aan de christelijke scholengemeenschap Prins Maurits in Middelharnis presenteerde donderdagavond in de Sint-Nicolaaskerk in Brouwershaven een aantal religieuze gedichten van Jacob Cats. De dichter werd in 1577 in de Zeeuwse stad geboren. In de kerk staat een bijna 200 jaar oud standbeeld van hem. Tot 23 september is er een tentoonstelling over Cats ingericht.

„Cats heeft onder invloed van de anglicaanse puritein William Perkins een geestelijke ontwikkeling doorgemaakt”, stelde Van Walsem. „Cats schrijft dat je niet moedeloos moet worden als je langzaam vordert in de godzaligheid. Als je maar vordert. Ook de Nadere Reformatie heeft een sterke invloed op Cats gehad. Hij dichtte: „De droefheid naar God werkt de vreze ter zaligheid.” Daarmee sluit hij aan bij Teellinck, met wie hij contact had.”

Jacob Cats was meer dan een zedenprediker

In zijn boek ”Huwelijk” uit 1625 geeft Cats praktische adviezen over onder andere huwelijk en gezin, aldus Van Walsem. „Jongeren moeten volgens hem nadenken over het ouder worden. Na het sterven wacht een nieuw leven, „waarin onze Zaligmaker machtig is ons vernederd lichaam aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk te maken.””

Toekomst

Over die toekomst zegt Cats: „Vlucht naar Christus. Wil je niet dwalen? Ik ben de Weg. Wil je niet bedrogen worden? Ik ben de Waarheid. Wil je niet sterven? Ik ben het Leven.”

In de ”Spiegel van de oude en nieuwe tijd”, uit 1632, spreekt Cats over „Christelijke bedenkingen”. Van Walsem: „Verkeerde verlangens, de prikkels van het vlees, kunnen volgens Cats ook nuttige sporen nalaten. Dat lijkt op Voetius, die in navolging van Augustinus zegt dat „het de hovaardigen nuttig is in enige openbare zonde te vallen, opdat zij een mishagen aan zichzelf mogen krijgen.” En Luther zegt: „Als iemand deze leer goed kent en ze op de juiste wijze toepast, dan kunnen kwade dingen voor hem alleen maar iets goeds bewerken. Want als het vlees hem tot zondigen prikkelt, dan wordt dat voor hem een oorzaak de vergeving der zonden door Christus te zoeken, de gerechtigheid van het geloof aan te grijpen, die hij anders misschien helemaal niet zo op prijs zou stellen en zo vurig zou begeren.”

Hoewel Cats zich dus op Voetius en Luther had kunnen beroepen, vergoelijkt hij het zondigen niet, stelde Van Walsem. „Hij zegt echter juist dat mensen hun verwrongen hart en bedorven zinnen moeten uitkammen.”

Psychische gespletenheid

In 1979 schreef Domien ten Berge aan Cats psychische gespletenheid toe. „Ten Berge zegt dat Cats door de godsdienstige opvoeding in ernstige zelfstrijd is geworpen. Meer empathie krijgt Cats van prof. Van Es, die zijn strijd tussen geest en zinnen geen karakter- maar een geloofsstrijd noemt.”

Ergens vergelijkt Cats het leven met een overvloed van water. „Was hij geobsedeerd door de dood, zoals literatuurhistoricus Anton van Duinkerken stelt?” vroeg Van Walsem zich af. „Daar ben ik het niet mee eens.”

Van Walsem ziet de gedichten van Cats over stervenskunst eerder in het licht van een traditie. „Volgens prof. Van Es overschrijdt Cats in zulke gedichten de grenzen van zijn eigen tijd en spreekt hij de naakte werkelijkheid uit van alle menselijk leven.”