Kabinet moet ingaan op uitgestoken hand Erdogan

Een beeld van lang geleden: november 2012. Als het aan Erdogan ligt, vallen binnenkort echter opnieuw van deze foto's te maken. beeld ANP EVERT-JAN DANIELS

We wisten het natuurlijk allemaal, maar we waren het even vergeten: Turkije en Nederland zijn „oude vrienden.” Zo zei de Turkse president Erdogan het deze week. Een goed half jaar geleden, toen Turkse ministers in half Europa werden tegengehouden om campagne te voeren, zei Erdogan heel andere dingen. Rutte en Merkel waren toen voor hem „nazi’s en fascisten.”

Men kan de nieuwe uitlating van sympathie van Erdogan natuurlijk met cynisme en wantrouwen aanhoren. Maar feit is dat er blijkbaar iets is veranderd. En dat is gewoon winst.

De verbetering in de relatie moet ertoe leiden dat de ambassadeurs weer terugkeren naar hun posten. Eerder dit jaar werden ze daarvandaan teruggeroepen. Er leven 250.000 Turken in Nederland. Alleen al voor hen is het belangrijk dat de ambassade weer volledig is bemand. Bovendien zijn Nederlandse en Duitse bedrijven heel grote investeerders in Turkije. Voor de handel zijn soepele diplomatieke contacten alleen maar goed.

Op de achtergrond schijnt mee te spelen dat Turkije waardering heeft voor het feit dat Nederland en andere EU-landen zich hebben uitgesproken tegen de eenzijdige erkenning van Jeruzalem als Israëlische hoofdstad door de Amerikaanse president Trump. Dat is dan wel een onvoorzien gevolg van dat besluit. Het is de vraag of president Trump dit in zijn dadendrang vooraf in overweging heeft genomen.

Minister Zijlstra (Buitenlandse Zaken) heeft enkele weken geleden op een NAVO-bijeenkomst achter de schermen gesproken met zijn Turkse collega Cavusoglu. Dat was het eerste contact tussen de beide regeringen na de crisis die ontstond in maart.

Vlak voor de Tweede Kamerverkiezingen trok het kabinet op het laatste moment de landingsrechten van minister Cavusoglu in. De Turkse politicus wilde in Rotterdam zijn kiezers toespreken met het oog op het referendum over een nieuwe grondwet in april. Als alternatief stuurde Turkije vanuit Duitsland de vrouwelijke minister Kaya. Ook haar komst werd als ongewenst gezien, en zij werd in Rotterdam op de stoep van het Turkse consulaat feitelijk urenlang in haar auto opgesloten. Voordat ze binnen nog maar een plasje had kunnen doen, moest ze weer onder begeleiding terug naar Duitsland.

Heel begrijpelijk en terecht heeft de Turkse regering dit als een ongekende vernedering opgevat. Daarom zei president Erdogan deze week dat hij hoopt dat Nederland „bedroefdheid laat blijken” over deze actie.

Tot nu toe lijkt het erop dat premier Rutte ervan overtuigd is dat hij toen eerder een goede daad heeft gedaan dan een steek heeft laten vallen. Hij heeft hiermee immers laten zien dat Nederland tegen de nieuwe Turkse grondwet was. Het helpt Rutte natuurlijk dat veel Europese landen toen dezelfde houding aannamen, zoals Duitsland en België. Hoe dan ook, het siert het nieuwe kabinet dat het werkt aan herstel van de verhouding met Turkije.