Redelijk geloof in de Schepper

omslag

Stel, er woont in Papoea een geïsoleerde stam neanderthalers. Ze weten niets van moderne technologie. Op een dag crasht er een vliegtuig. De wilden komen in aanraking met moderne reddingswerkers. Deze fictieve ontmoeting beschreef dr. Arthur Wilder-Smith in ”Wer denkt muss glauben” (1980). Uitgeverij Maatkamp gaf het onlangs uit als ”Wie denkt, moet geloven”.

De neanderthalers proeven ingeblikt voedsel, en ontdekken dat Homo sapiens het bestaan van een Schepper ontkent. De primitieve wilden geloven echter dat Hij alle mensen heeft gemaakt uit leem, en dat ze weer tot leem zullen terugkeren.

Ze vinden het ronduit dwaas dat de moderne mens gelooft dat leem en zonnewarmte zich spontaan tot leven kunnen organiseren. Waarom ontstaat er dan in een conservenblik geen leven, terwijl materie en energie ruimschoots voorhanden zijn?

Als ze leren dat een bevruchte eicel de informatie bevat van 1000 boeken van 500 pagina’s, slaan ze van verbazing de handen ineen. „Dus dit ontstond spontaan?” Zo veel irrationeel geloof gaat hun pet te boven.

„Uw ongeloof in de Schepper gaat in het geheel niet gepaard met een betere kijk op experimenteel-wetenschappelijke zaken. Uw atheïsme is louter emotioneel en volkomen in tegenspraak met uw eigen rede en gezond verstand.”

Het boekje van Wilder-Smith heeft na al die jaren nog weinig aan actualiteit ingeboet.

Boekgegevens

Wie denkt, moet geloven, A. E. Wilder-Smith; uitg. Maatkamp; 62 blz.; € 10,-