OpinieColumn

Zondag verliet ik de gevangenis

De laatste bewaker opende de laatste deur. Even later liep ik aan de andere kant van het torenhoge hek met rollen prikkeldraad als warrige haardossen.

Geluiden klonken na in mijn oren: het ijzeren hek, de knarsende sleutel, het piepende scharnier, de holklinkende voetstappen in lege gangen. Ik was in een van de oudste en grootste gevangenissen van België geweest – meer dan 200 jaar oud en meer dan 400 gedetineerden.

Samen met anderen had ik in de kleine zaal de liturgie op de wachtende stoelen gelegd. Al snel werden de eerste gedetineerden door de bewakers binnengebracht. Ze kwamen van de blauwe afdeling, gezien de kleur van hun hesje. „Hé A., fijn dat je er weer bent.” „Ha F., welkom, goed geslapen?” De blonde kerel haalde zijn brede schouders op. „Awel, ’k kan hier althans nie veel anders.”

De mannen van de rode afdeling werden binnengelaten. Sommigen met een grote grijns, anderen met gebogen hoofden.

Die ene moordenaar begreep veel meer van het lijden en sterven van Jezus dan allen die Hem jarenlang waren gevolgd

Tussen de vier muren met getralied glas begon de dienst. In de kamer ernaast zaten de bewakers. Paraat, zoals altijd. Hardop werd het Onze Vader (mee)gebeden: „…En vergeef ons onze schulden… Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze...”

A. werd gevraagd de Schriftlezing te doen. Hij stond rap op. „Ja, graag!” Zijn Vlaamse tongval maakte de woorden zacht. „Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. (…) Heere, gedenk mij als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. (…) Heden zult u, met Mij…”

In het zwaarbeveiligde gebouw klonk het verlossende Evangelie van Goede Vrijdag en Pasen. Er werd ingezoomd op de middelste Man aan het kruis en die ene moordenaar ernaast die, in een kort moment, veel meer begreep van het lijden en sterven van Jezus dan allen die Hem jarenlang waren gevolgd. Trouwens, wat moet deze moordenaar voor de Heere Jezus tot grote troost zijn geweest.

De aalmoezenier ging verder: „Wat je ook hebt gedaan, er is vergeving mogelijk door de dood van Jezus. Wij hebben straf verdiend, maar Jezus wilde de straf dragen aan het kruis. Zo alleen kunnen zonden worden vergeven en kan het goed worden tussen God en ons. Begrijpen jullie waarom we deze dag Goede Vrijdag noemen?” „Jawel”, mompelde een gedetineerde achter mij. „Jawel.”

Als laatste klonk de bekendste tekst uit de Bijbel. „Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft…” D., een veel te jonge knul, boog zijn hoofd, knikte bij elk woord. Daarna zongen ze ”U zij de glorie, opgestane Heer” uit volle borst mee. R. op z’n hardst, maar met zachte ogen.

„Is er hier met Pasen gene dienst?”

„De volgende dienst is niet over twee maar over drie weken, op 12 april”, zei de aalmoezenier, voordat de bewakers de gedetineerden op zouden halen. „Maar, da’s ná Pasen”, reageerde R. geschrokken en teleurgesteld. „Is er hier met Pasen gene dienst?”

Nee, helaas. Dan blijven de aalmoezeniers en degenen die de zang begeleiden en meezingen thuis. Fijn bij hun eigen families en in hun eigen gemeenten, want het is tenslotte een speciale gedenkdag. Dat zei de aalmoezenier niet. Natuurlijk niet. Er werd wel gezegd dat het toch mooi was dat ze dit heilsfeit nu al, eerder dan anderen, herdacht hadden.

Na de dienst sprak ik R. „Ah ja. Ik kom graag naar de diensten. Ik voel… rust.” Glimlachend: „Ik ben moslim, maar ’t is hier goe.” B. keek me openhartig aan: „God heeft mij naar ’t gevang gestuurd, zodat ik over Hem kon horen. Hier heb ik Hem leren kennen.”

En nu ben ik thuis en schrijf ik dit, en ga zo weer mijn eigen gang. De gevangenen wachten in hun overvolle cellen tot deze dag ook weer voorbijgaat. B., die bijna nooit een kerkdienst overslaat, al ruim twintig jaar lang. Hij ontvangt straf, waardig hetgeen hij gedaan heeft.

En wij? Wij hebben niets onbehoorlijks gedaan.

Monica Nieuwenhuijse-Thijsen is auteur en spreekster.