Mens & samenlevingGebarentaal

Gebarentaal: de visuele moedertaal van doven

Op één hand tot tien tellen, met slechts één handbeweging vijf woorden zeggen of elkaar van meters afstand melden dat je even naar het toilet gaat. In gebarentaal kan dat allemaal.

De volwassen persoon maakt het gebaar voor zingen in Nederlandse gebarentaal, het kind gebaart zingen in Nederlands met gebaren. beeld Jaco Hoeve

Gebarentaal had niet mijn speciale interesse en in mijn omgeving kende ik geen dove mensen. Dat veranderde toen ik als twintiger iemand ontmoette waarmee ik van hart tot hart wilde communiceren – maar hij was, en is, doof. Voor het eerst in mijn leven maak ik kennis met een nieuwe taal waarvan ik de uitspraak niet hoef te leren, maar waarvoor ik gebaren onder de knie moet zien te krijgen. Daarnaast komt er een flinke dosis mimiek bij kijken.

We gebruiken als horenden wellicht meer gebaren dan we ons bewust zijn. Zoals bij woorden als huis, slapen en drinken. Het is niet moeilijk om daar een goed gebaar bij te bedenken. Dat zijn de zogeheten iconische gebaren; daarbij bestaat er een logisch verband tussen het woord en de beweging.

Wat gebarentaal moeilijk maakt voor mensen zonder voorkennis zijn vooral de arbitraire gebaren: de vorm of beweging die de hand maakt, past dan niet logisch bij de betekenis van het uitgebeelde woord. De beweging voor het woord moeder bijvoorbeeld, is een uitgestoken wijsvinger die met de buitenkant van de vinger van links naar rechts langs de kin gaat. Daartegenover heeft het woord mama weer een mooi iconisch gebaar: de vlakke hand met vingers tegen elkaar aan tikt twee keer op de wang, wat verbeeldt dat mama’s een zachte wang hebben.

Schildpad in Nederlandse gebarentaal. beeld Jaco Hoeve

Zoals gesproken talen heeft ook NGT een eigen grammatica en woordenschat en is hij voortdurend in ontwikkeling

Aanvankelijk was voor mij als leek de wereld van gebaren tamelijk ingewikkeld. Ik hoorde over vingerspellen, Nederlandse gebarentaal of Nederlands met gebaren. Voor mij was het allemaal één pot nat. Nu, een decennium verder en na vele duizenden uren communiceren in met mijn handen, heb ik het inmiddels een beetje door. Nederlandse gebarentaal (NGT) is de taal van doven. Het is een echte taal, geen verzameling van bewegingen. Zoals gesproken talen heeft ook NGT een eigen grammatica en woordenschat en is hij voortdurend in ontwikkeling. Belangrijke voorwaarde voor een taal is dat iedereen alles wat hij wil uitdrukken, ook kán communiceren. Ook dat is bij het gebruik van NGT het geval.

Het Groningse Haren is onder doven een begrip en de bakermat van hun taal. In 1790 richt ds. H.D. Guyot daar het eerste Nederlandse doveninstituut op. Doven vanuit het hele land ontmoeten elkaar daar, in het noorden, om les te krijgen met als gevolg dat er een Nederlandse gebarentaal ontstaat. Waar mensen samenkomen, gaan ze immers communiceren en zo ontstaan talen. Later worden er meer dovenscholen opgericht: in Amsterdam, Voorburg, Rotterdam en Sint-Michielsgestel. Rond die scholen groeien dialecten, wat ervoor zorgt dat er voor één voorwerp in Nederland verschillende gebaren worden gebruikt. Het woord vriend bijvoorbeeld wordt in vijf regio’s op vijf verschillende manieren uitgebeeld.

Vlinder in Nederlandse gebarentaal. beeld Jaco Hoeve

Tot 1880 wordt op dovenscholen onderwijs in gebarentaal gegeven, maar dan gaat er iets mis. Op een onderwijscongres in Milaan wordt een drastisch besluit genomen: gebaren mogen niet langer gebruikt worden in het onderwijs; doven moeten leren spreken en gebaren zouden daarop een negatieve invloed hebben.

Het duurt tot in de jaren zeventig, tachtig van de vorige eeuw voor er op dovenscholen weer gebruikgemaakt wordt van de visuele taal; de moedertaal van doven. Dat gebeurt dankzij baanbrekend onderzoek van de Amerikaanse taalkundige William Stokoe (1919-2000). Door zijn publicaties wordt gebarentaal niet langer als een versimpelde versie van een gesproken of geschreven taal gezien, maar als opzichzelfstaande, complex en levendig met een eigen zinsbouw en grammatica. Het gebruik van gebarentaal staat de ontwikkeling van doven niet in de weg; het is juist dé manier om te communiceren, te leren en te socialiseren. Stokoe was de eerste die gebarentaal op schrift stelde en dus vastlegde welke bewegingen bij een woord of handeling horen.

Ruim tien jaar geleden begin ik daar dus studie van te maken: ik leer losse gebaren die soms een deel van een zin vormen, het werken met handen en voeten én met spreken. Bij mij rijst de feitelijke vraag: wanneer beheerst iemand de Nederlandse gebarentaal? Als hij 500 woorden kan omzetten in gebaren? Als hij zichzelf kan uitdrukken in gebarentaal?

Die vraag is moeilijk eenduidig te beantwoorden. Er blijkt een soort tussenvariant te bestaan: Nederlands met Gebaren (NmG). Doven nemen deel aan een horende maatschappij. Hoewel zij op school Nederlands leren lezen, schrijven en spreken, is hun moedertaal gebarentaal. Waar doven en horenden elkaar ontmoeten en met elkaar communiceren ontstaat een mengvorm tussen beide talen. NmG is dus geen opzichzelfstaande taal maar heeft onder meer grammaticale kenmerken uit zowel het Nederlands als NGT. Dankzij deze zogeheten contacttaal kunnen horenden en doven makkelijker met elkaar communiceren.

Precies dat is dus de vorm die ik leer gebruiken. NmG zorgt ervoor dat ik me enigszins ‘verstaanbaar’ kan maken in de dovenwereld en korte gesprekjes kan voeren. Maar voor dat gesprek van hart tot hart, een discussie over de politiek of een gebed voel ik dat er meer nodig is.

Bij gesproken talen wordt informatie in stukjes verstuurd en ontvangen, terwijl dat bij gebarentaal simultaan gebeurt

Hoe meer ik me in de wereld van doven begeef, hoe meer ik leer van de gebarentaal. Zo is bijvoorbeeld het gelijktijdig overbrengen van verschillende talige aspecten een karakteristieke eigenschap; simultaneïteit heet dat. Bij gesproken talen wordt informatie in stukjes verstuurd en ontvangen, terwijl dat bij gebarentaal simultaan gebeurt. Iets wordt dan gelijktijdig door mimiek, gebaren, orale componenten, lichaamsbewegingen en hoofdbewegingen overgebracht. Met het enkele gebaar ”geven” kan iemand door de plaatsbepaling duidelijk maken of het een handeling is die van de gever naar de ontvanger uitgaat of andersom. Voeg daar een strenge blik aan toe en het blijkt om de gebiedende wijs van geven te gaan; gebruik een vragende mimiek, en het betreft een verzoek.

Gaandeweg krijg ik die gebarentaal steeds meer in de vingers. Dat blijkt ook een must: ik trouw met de dove persoon die mijn hart wist te veroveren. Zo wordt het gebruik van NGT voor mij een gewoonte, een dagelijkse bezigheid.

Dat ik als horende een artikel schrijf in mijn moedertaal over de rijke, gevarieerde en unieke manier waarop doven communiceren in hun taal is als een contradictio in terminus; hoe is een taal die bestaat uit zo veel beweging, te vangen in woorden? Dat is niet zwart-op-wit weer te geven, dat moet je meemaken. Of in de vingers krijgen.