Soennitische huis in Midden-Oosten is tegen zichzelf verdeeld

Geweld in Libië. beeld AFP, Abdullah Doma

Decennialang geloofde de wereld dat het conflict tussen Israël en de Palestijnen de belangrijkste brandhaard was in het Midden-Oosten. De onderlinge islamitische rivaliteit is echter veel ernstiger.

Arabische leiders hamerden er voortdurend op dat de Israëlische „bezetting” van Palestina een bron voor terrorisme vormde. In werkelijkheid waren het echter de dictatoriale Arabische regimes zélf die terrorisme bevorderden. Kansloze en wanhopige jongeren zagen uit frustratie vaak geen andere uitweg dan zich aan te sluiten bij islamitische bewegingen die een meer rechtvaardige wereld beloofden.

Tot aan de Arabische lente van 2011 werd de Palestijnse kwestie door Arabische heersers dankbaar aangegrepen om de aandacht af te leiden van problematiek in eigen huis. Momenteel wordt het Midden-Oosten echter steeds zichtbaarder verscheurd door de strijd tussen het sjiitische Iran en het soennitische Saudi-Arabië.

De spanningen tussen Iran en een aantal Arabische staten zijn inderdaad hoog opgelopen en gevreesd wordt voor een grote regionale oorlog. Arabische leiders wijzen terecht op het gevaar van de Iraanse expansie in de regio, met als gevolg dat westerse media en politici gefixeerd raakten op deze kwestie.

Net als eerder het Palestijns-Israëlische conflict, fungeert het oorlogsgeroffel tussen Iran en Saudi-Arabië echter ook als een façade, die een veel ernstiger probleem verdoezelt. Het betreft hier de machtstrijd binnen de soennitische islam zélf, met Libië als laatste slachtoffer.

In Libië beëindigde de NAVO in 2011 het regime van president Gaddafi. Het land zonk weg in chaos en burgeroorlog, terwijl de wereld onverschillig toekeek.

In 2014 begon een excentrieke Libische generaal echter orde te scheppen in oostelijk Benghazi. Het betreft generaal Khalifa Hafter, die een leger formeerde waar veel soldaten en officieren van voormalig president Gaddafi zich bij aansloten. Hafter startte vevolgens ”Operatie Waardigheid”, die beoogde alle gewapende islamisten te verdrijven.

Hafter werd aanvankelijk door niemand serieus genomen, maar zijn leger boekte grote successen en kreeg geheel oostelijk en zuidelijk Libië onder controle. Om vervolgens op 4 april de aanval in te zetten op de hoofdstad Tripoli, waar de door de internationale gemeenschap erkende regering van premier Fayez Sarraj zetelde. Hiermee werd de knuppel in het hoenderhok gegooid en werd de strijd zichtbaar waar soennitische landen in verwikkeld zijn geraakt.

Het was geen geheim dat landen als de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte generaal Hafter steunden, terwijl Turkije juist Hafters opponenten bewapende. Toen Hafter inderdaad Tripoli leek te gaan veroveren, begon Turkije de bewapening op te voeren van milities die de hoofdstad verdedigden. Volgens sommigen zouden ze zelfs door Turkse officieren worden getraind.

Dat deed de alarmbellen rinkelen in buurland Egypte. Volgens Egyptische deskundigen probeert Turkije voet aan de grond te krijgen in Libië om Egypte te ondermijnen. De Egyptische president Sisi staat nu onder zware druk om Hafter militair te hulp te schieten. Dit zou echter kunnen leiden tot een directe confrontatie tussen Turkije en Egypte op Libisch grondgebied. Dit is het laatste waar noordelijk Afrika op zit te wachten, omdat het ook al maanden onrustig is in landen als Algerije en Sudan.