Hij verbaast zich erover dat hij als bijzonder wordt gezien. „Het is toch niet uniek dat ik geen mobiele telefoon heb? Waarom zou ik er een aanschaffen als ik hem niet nodig heb?”

Hoe ben je bereikbaar voor anderen?

„Gewoon via de huistelefoon en via e-mail. Iedereen weet dat. Ik volg de studie werktuigbouwkunde aan de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Met mijn medestudenten regel ik eigenlijk alles via de mail. Op de telefoonlijst staat mijn huisnummer, maar er heeft nog nooit iemand gebeld.”

Heb je niet het gevoel dat je zonder mobiel buiten de groep staat?

„Nee, absoluut niet. En als ik dat gevoel zou hebben, had ik allang een telefoon gekocht. Een paar jaar geleden lag er een doosje met twee mobiele telefoons bij ons in huis. Ik heb toen zo’n ding in handen gehad, maar alles zo weer teruggedaan in de doos. Ik snapte er niet veel van en vond het onzin om er een te gaan gebruiken.”

Hoe houd je dan contact met je vrienden?

„Alle nummers staan in het telefoonboek, dus als ik hen wil bellen kan dat.”

Hoe vind je het dat de meeste jongeren wel een telefoon hebben?

„Dat moeten ze natuurlijk zelf weten. Ik denk dat negen van de tien sms’jes die verstuurd worden, onzinberichten zijn. Daar heb ik zo’n apparaat dus niet voor nodig. Maar er zijn ook jongeren die hem wel goed gebruiken. Voor hen is het handig en nuttig. Bijvoorbeeld als je veel onderweg bent. Of lang moet reizen.”

Jij gaat elke dag naar Zwolle. Wat doe je als je te laat komt?

„Dan moeten ze maar afwachten wanneer ik kom. Ik zorg dat ik op tijd wegga en als de trein dan vertraging heeft, kom ik te laat. Dat is niet anders, maar dat vooraf melden vind ik niet nodig.”

Heb je voor je gevoel meer vrije tijd zonder telefoon?

„Geen flauw idee hoeveel tijd een mobieltje kost. Ik denk dat het heel wisselend is hoe jongeren ermee omgaan. De een smst en belt alleen als het nodig is, terwijl de ander steeds berichtjes verstuurt. In vergelijking met die laatste groep heb ik wel meer tijd, maar die is ook zo gevuld hoor. We zijn bijvoorbeeld druk met de verbouwing van het huis van mijn ouders.”

Erger je je wel eens aan het telefoongedrag van anderen?

„Soms wel, als de telefoon belangrijker is dan de persoon met wie iemand in gesprek is. Maar het doet me niks dat bijna iedereen in de trein of bus in zijn of haar telefoon verdiept is. Daar wen je op de een of andere manier aan. Zelf doe ik dan mijn ogen dicht en probeer wat te slapen.”

Wanneer komt het moment dat ook jij een mobiel hebt?

„Als ik ga werken en veel onderweg ben, zal het er wel van komen. Dan moet je bereikbaar zijn. Ja, voor zulke momenten is een mobiel toch wel een goede uitvinding.”

Dit is het slot van een drieluik over jongeren en mobiele telefoons. Lees hier deel 1 en deel 2 terug. En hier vind je het artikel over het onderzoek naar jongeren en mobiele telefoons.