Leerlingen in het voortgezet onderwijs lezen vooral omdat ze dat leuk vinden, zegt neerlandicus Erik van Schooten. "Als je iets leuk vindt, doe je dat gemakkelijker. Je moet een kind niet dwingen om een bepaald boek te lezen. Dat doe je ook niet bij het luisteren van een muziekstuk."

Van Schooten onderzocht wat de houding van leerlingen ten opzichte van lezen is, welke factoren hun leesgedrag beïnvloeden en hoe leerlingen op literatuur reageren. Vandaag promoveerde hij op dit onderwerp aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Om meer inzicht te krijgen in het leesgedrag van middelbare scholieren, ontwikkelde Van Schooten instrumenten om de houding van leerlingen ten opzichte van lezen te meten. Leerlingen in de eerste drie schooljaren van vmbo, havo en vwo moesten een logboek bijhouden en dagelijks invullen hoe veel tijd ze aan lezen besteden. "Ook al is dat maar een paar minuten per dag."

Hoe ouder leerlingen worden, des te minder zij lezen, ontdekte Van Schooten. "Ze kijken dan langer televisie en dat gaat ten koste van het lezen. Maar als scholieren toch een boek lezen, doen ze dat vooral omdat ze het fijn vinden. Dat motief wordt belangrijker naarmate ze ouder worden."

Canon
Het onderwijs moet daarop inspelen, vindt Van Schooten. "Aansluiten bij de leefwereld van de leerling is een belangrijk didactisch principe. Je gaat geen boeken van Lodewijk van Deijssel lezen als blijkt dat de leerlingen daar geen interesse in hebben. Dan boei je alleen een paar weetgierige leerlingen. Aan de andere kant ga je ook niet een jaar lang de stripboeken van Kuifje lezen. Daarvan leren de leerlingen ook niets."

De docent heeft de taak om de leerling een stapje hoger te brengen, benadrukt Van Schooten. "Laat leerlingen zelf boeken uitkiezen, maar bied als docent kwaliteitsboeken van grote literaire schrijvers aan. Kijk wat werkt en niet werkt. Dat leer je als docent met vallen en opstaan."

Van Schooten wil het gevoel van leerlingen respecteren. "Als een boek je ontroert, is dat een persoonlijke zaak. Zelf houd ik van de gedichten van de Vlaamse schrijver Louis Paul Boon, maar dat spreekt leerlingen niet aan. Die Vlaamse taal, daar hoef je echt niet aan te beginnen."

Zelf zou hij leerlingen eerst met hedendaagse literatuur laten kennismaken. "De barrière is dan het minst groot. Ik las vroeger "Reis door de nacht" van Anne de Vries, waarin de personages vaak bidden. Daarmee hoef ik niet bij mijn kinderen aan te komen. Aan de andere kant is het ook wel eens goed als leerlingen zo'n boek lezen. Dan maken ze kennis met wat er bij andere mensen leeft."

Voor een lijst van boeken die leerlingen moeten lezen, voelt Van Schooten niet veel. "Heel die discussie over een canon van boeken is aangezwengeld door de media. Ik vind het een non-discussie, daar krijg je alleen maar problemen van. De een wil dit boek in de canon, de ander dat. Straks hebben we duizend boeken in de kast staan."

Trance
De promovendus onderzocht ook hoe leerlingen innerlijk reageren op het lezen van literatuur. Van Schooten: "Het gaat daarbij om de trance, de mate waarin de lezer meeleeft met het verhaal. Raakt de leerling bij het lezen in een soort roes, wordt hij door het verhaal gegrepen en kan hij zich identificeren met de personages in het boek?"

Voor een leerling is niet alleen deze trance belangrijk, maar ook de manier waarop hij het gelezene uitlegt, de literaire interpretatie. De leerling kijkt dan onder meer naar de stijl, motieven en thema's van de auteur. Volgens Van Schooten vullen trance en literaire interpretatie elkaar goed aan. "Beide zijn nodig voor de totale beleving van een literair werk."

De literaire respons -hoe leerlingen innerlijk reageren op het lezen van literatuur- vermindert met de jaren. Leerlingen in de eerste drie klassen van de middelbare school lezen graag om aan de werkelijkheid te ontsnappen. Ze zijn gericht op de plot en de verhaallijn en identificeren zich met de personages. "Leerlingen zijn minder geïnteresseerd in zaken als stijl en motieven van de auteur. Bestudering van literaire teksten wijzen zij daarom af."

Literatuuronderwijs
In de bovenbouw is het niet veel anders. Een verschil is dat leerlingen in de vierde en vijfde klas van havo en vwo minder meeleven met het verhaal dan leerlingen in de onderbouw. "Wel staan zij positiever tegenover de literaire interpretatie van teksten", zegt Van Schooten. "Dat geldt vooral voor meisjes uit de hogere onderwijstypen. Die lezen meer dan andere leerlingen."

Literatuuronderwijs lijkt ervoor te zorgen dat leerlingen bij het ouder worden blijven lezen en het ook leuk vinden om het gelezene te interpreteren. "Dat is vooral het geval bij de tekstervaringsmethode, waarbij leerlingen niet wordt verteld wat ze van een boek moeten vinden, maar een eigen mening kunnen vormen. En komen ze dan met een mening die de docent niet bevalt, dan is dat geen probleem."

Voor leraren in het voortgezet onderwijs heeft Van Schooten nog wel een tip. Die zouden zich in de onderbouw vooral moeten richten op het bevorderen van leesplezier. "Sluit aan bij de belevingswereld van leerlingen en laat hen zelf boeken kiezen. Leerlingen die veel lezen, hebben een grote woordenschat en zijn beter in begrijpend lezen. Dat is voor alle vakken van belang. Het is net als bij hardlopen: Je moet trainen om beter te worden."


"Je duikt niet even in een boek"
"Lezen? Dat doe ik bijna niet, alleen als het verplicht is." Dat zegt Henk van Boggelen (15) uit Hardinxveld-Giessendam.
Als examenleerling van het vmbo moest hij zeven boeken voor zijn mondeling tentamen lezen. Vooral "Kruistocht in spijkerbroek" van Thea Beckman en "Engelandvaarders" van K. Norel vond hij mooie boeken.

Vroeger dook Henk meer in de boeken dan nu. "Ik las heel wat kinderboeken. Nu lees ik gemiddeld één boek in de maand, meestal oorlogsboeken. Ik vind deze boeken vooral mooi als ze vanuit een bijzondere persoon worden beschreven. Bijvoorbeeld een boek met een NSB'er of een Duitser als hoofdpersoon."

Toch ervaart Henk een drempel om een boek te pakken. "Als ik niks te doen heb, ga ik vaak computeren. Voor een boek moet je echt gaan zitten, daar duik je niet eventjes in."

Een boek moet volgens de examenkandidaat een goed begin hebben. "Als de start boeiend is geschreven, lees ik door. Zo niet, dan sla ik het boek al snel dicht. Zo heb ik de boeken van Veenhof maar half gelezen."

Tijdens literatuurlessen op school krijgt Henk boeken als "Karel ende Elegast" en "Beatrijs" voorgeschoteld. "Mijn leraar Nederlands leest de boeken voor en klassikaal bespreken we hoe het boek qua opbouw en tijd in elkaar steekt." Ook maakte hij eerder boekverslagen en een poëziewerkstuk.

"De literatuurlessen zijn boeiend, maar diep doorgraven over het ontstaan van een boek, dat hoeft van mij niet." Wat het nut is van literatuuronderwijs kan de examenkandidaat niet een, twee, drie bedenken. "Ik denk dat deze lessen vooral handig zijn voor mensen die zich na hun examen meer in deze richting gaan verdiepen."



"Iets moois door de strot duwen"
"Leesplezier is een belangrijke factor in literatuuronderwijs. Maar zonder plezier is een les niet mislukt. Een literatuurles is ook vormend en een stukje cultuuroverdracht." Dat zegt Henriëtte van de Wetering, docente Nederlands aan het Ichthus College in Veenendaal.

Veel leerlingen vinden volgens Van de Wetering literatuuronderwijs saai. "Het is voor mij een uitdaging hen enthousiast te maken voor lezen. Ik weet dat ik ze iets moois door de strot duw."

Liefde voor literatuur heeft ook te maken met kennis. "Leerlingen denken dat je bijzonder talent moet hebben om een gedicht te begrijpen of een boek goed te lezen. Deze vaardigheden kun je echter leren."

Na de invoering van de tweede fase bespeurt Van de Wetering een positieve ontwikkeling. "Bij tentamens ligt de nadruk niet alleen op feiten. Vooral de persoonlijke visie en leesbeleving heeft een belangrijke rol gekregen."

Van de Wetering vindt het positief dat er de laatste jaren makkelijk leesbare boeken zijn verschenen. "Boeken uit de jaren '70 laten veelal een gedachtestroom zien. Leerlingen grijpen veel eerder naar een concreet verhaal zoals de boeken van Tessa de Loo."

Tijdens haar lessen zoekt de docente aansluiting bij de beleving van jongeren. Anderzijds gaat ze de confrontatie met een totaal andere leefwereld niet uit de weg. "We hebben een filmfragment van "De aanslag" van Harry Mulisch klassikaal bekeken. Het is goed om dit in het kader van begeleide confrontatie met elkaar te bespreken."

Van de Wetering merkt dat leerlingen verschillend reageren op het lezen van verplichte boeken. " Bij sommigen verdwijnt het laatste graantje interesse voor literatuur. Anderen raken juist zo enthousiast, dat ze hun klasgenoten stimuleren bepaalde boeken te lezen. Van zulke reacties smul ik."


"Liever Libelle dan literatuur"
Marion Scherpenzeel (16) uit Nieuwland leest niet veel boeken. "Liever tijdschriften, zoals de Libelle. Als ik een boek bij de bibliotheek leen, ligt het meestal zo lang thuis dat ik het met boete moet terugbrengen. Dat komt doordat ik meestal heel lang doe over een boek."

De havo 5-leerlinge kijkt met gemengde gevoelens terug op het literatuuronderwijs. "De lessen waarin de docent vertelde over bijvoorbeeld "Beatrijs" en "Van den vos Reynaerde" waren wel interessant. Als je daarna het boek leest, begrijp je ook beter de bedoeling ervan." Alle leerlingen moesten een inleiding over een schrijver houden. "Naar dertig van die verhalen luisteren is ontzettend saai."

Marion Scherpenzeel moest minimaal acht boeken voor haar literatuurlijst lezen. "Vier van voor 1880 en vier van erna. De moderne boeken vond ik het leukst. Die kon ik makkelijker lezen en beter begrijpen." Ze koos er nadrukkelijk voor geen poëziebundel op haar lijst te zetten. "Daar moet je van alles achter zoeken, dat spreekt mij niet aan."

"Danseres zonder benen" vindt ze een mooi boek op haar lijst. "Het is een droom van de schrijfster, die het heel moeilijk heeft gehad in de Tweede Wereldoorlog." Andere boeken die haar aanspreken, zijn psychologische romans. "Een mooi boek vind ik "De rugzak" van Joke Verweerd."

De leerlingen op school hadden twee jaar de tijd om de boeken van hun lijst te lezen. Marion las de boeken pas in de laatste weken voor het mondeling tentamen. Daarmee was ze niet de enige. "Ik denk dat er weinig klasgenoten zijn die twee weken voor het tentamen de boeken hadden gelezen."

Na het literatuuronderwijs past de Nieuwlandse haar leesgedrag niet aan. "Ik blijf lezen, maar geen literatuur."


"Leesplezier is belangrijke factor"
"Ik denk dat we op onze school niet mogen mopperen over het leesgedrag van de leerlingen." Jan Kruis, docent Nederlands aan het Calvijn College in Middelburg, geeft literatuuronderwijs aan vmbo 4. Ongeveer 60 procent van de leerlingen heeft volgens hem plezier in lezen. De overige 40 procent vindt lezen niet leuk, stelt Kruis. "Omdat lezen voor hen gewoon te moeilijk is. Veel jongeren zijn gericht op beelden van bijvoorbeeld computer of tv. Die zijn veel simpeler te begrijpen. Wat ook meespeelt, is dat ze weinig tijd hebben voor lezen. Ze zijn druk met vrienden, uitgaan of MSN-en."

De docent beaamt dat leesplezier de belangrijkste factor is die het leesgedrag van leerlingen bepaalt. "Een mooi boek trekt jongeren, maar we mogen de rest niet vergeten. Onderdelen als verhalenanalyse of poëzie moeten blijven bestaan."

In de loop van het jaar moeten de leerlingen zes boeken van een lijst lezen. Kruis: "We maken op onze school literatuuronderwijs aantrekkelijk door er praktische opdrachten aan te verbinden. Leerlingen maken bijvoorbeeld bij het boek "De rugzak" van Joke Verweerd een rugzak met daarin een gedicht van eigen hand. Of bij het boek "Eilandgasten" van Vonne van der Meer schrijven ze zelf een verhaal in dezelfde stijl." Lachend: "De opdrachten worden over het algemeen zo goed gemaakt, dat ik ze wel eens van fraude verdenk."

Om jongeren aan het lezen te houden, is het volgens de docent belangrijk dat er goede en leuke boeken op de lijst staan. Welke boeken de docent aanraadt bij zijn leerlingen? ""Ik verbind u door" van Vonne van der Meer. Maar in dat boek moeten wel twee zinnetjes worden doorgestreept omdat die onverantwoord zijn. Daarom probeer ik zelf eerst alle boeken te lezen."