Voor zover mijn hersenspinsels over de ontstaansgeschiedenis van de foto hierboven. Waar het woord voorlezen me normaal gesproken aan doet denken: paniek, hartkloppingen, ademnood.

Het moet ergens in klas 2 zijn geweest. Tijdens welke les het exact misging, weet ik niet. Hoe dan ook; op een zeker moment diagnosticeerde ik bij mezelf een buitensporige voorleesangst. Een aandoening die zo’n beetje mijn hele middelbareschooltijd heeft overschaduwd.

Maandagochtend. Het gebruikelijke begroetingsritueel met klasgenoten wordt verstoord doordat er Bijbels worden doorgegeven. O ja, de dagopening. Dat betekent: een Bijbeltekst voorlezen. Mijn hart begint voelbaar te bonzen. De ademhaling versnelt. Of ik dit voor de buitenwereld zonder gestuntel ga doorstaan, hangt grotendeels af van de lengte van het vers dat mij te beurt valt.

Mijn rij begint. Razendsnel bereken ik welk vers uit mijn mond moet klinken. Vers 16, middellang, te doen. Veel te snel komt het voorleesmonster op me af. Robert en Esther nog. Dan Rico, en dan ik. Het zijn maar vier regels, sus ik mezelf. Het helpt niet. Mijn hart pompt als een stoomgemaal. Zuurstoftekort en ademnood dreigen.

Terwijl de buurman zijn laatste woorden leest, adem ik snel diep in, waarna ik in razend tempo mijn vers ten gehore breng. De twee minuten daarna hijg ik uit.

Als amper twintig woorden al zo’n stampij teweegbrachten, kun je je misschien voorstellen hoe het ging als we om de beurt een pagina van een literatuurboek lazen. Dan stopte ik na enkele regels. Trillend, happend naar adem.

Gesprekken met een zus, ademhalingsoefeningen en zelfs een kalmeringsspray hielpen niks. Het gekke was: presentaties voor de klas verliepen zonder buitensporigheden.

In jaar 2 van mijn vervolgopleiding ben ik ermee naar een studentenpsycholoog gegaan. Die zei: Er zit een foutieve connectie in je brein. Waarschijnlijk had ik ooit een griep onder de leden, of waren de omstandigheden anderszins niet ideaal om voor te lezen, terwijl het wel moest. Toen ging het mis, en heeft mijn brein het voorleesdraadje vastgemaakt aan het haakje voor angst. En door de angst voor die angst onstond er faalangst.

De psycholoog zei ook: probeer je met je angst te verzoenen. Dus probeerde ik dat maar. Door ten overstaan van een klas vol wildvreemde studenten voor te lezen uit een boek over descriptieve diagnostiek in de ggz, bijvoorbeeld. Dat was gek. Maar sinds mijn foutieve connectie en ik vriendjes zijn, gaat het gelukkig steeds beter.


Reageren? chris@rd.nl