Gods Woord geeft aan dat het niet óf óf, maar én én is: bekering is zowel een moment in je leven als een doorgaande zaak. Denk voor het eerste aan de gelijkenis van de verloren zoon. Een tijdlang leeft hij voor zichzelf, leeft hij in de zonde, denkt hij niet aan zijn vader en mist hem ook niet. Dat verandert als hij op een gegeven moment helemaal aan de grond komt te zitten. Daar bij de varkens keert hij tot zichzelf in en beseft wat hij later ook gaat belijden tegenover zijn vader: „Ik heb gezondigd, tegen de hemel en voor u…” (Luk. 15:18)

Zo’n eerste, principiële bekering kan bij de één een veel nadrukkelijker karakter hebben dan bij de ander. Het maakt toch ook wel verschil of je een leven geleid hebt als de verloren zoon of dat je een voorgeschiedenis hebt zoals Lydia of Timotheüs. Maar er zijn toch ook overeenkomsten. Het is immers wel dezelfde Geest, Die wedergeboorte en vervolgens bekering werkt. Daarom zitten in die eerste bekering altijd elementen zoals inkeer tot jezelf, afkeer van de zonde en terugkeer tot God.

Maar daarmee is niet alles gezegd over de bekering. De Bijbel zegt namelijk dat wie eenmaal bekeerd is, elke dag als het ware opnieuw bekeerd moet worden. Daarvoor worden woorden gebruikt die aangeven dat het om een doorgaand proces gaat. Ik denk aan de woorden ”afleggen” en ”aandoen” uit Efeze 4. Daar wordt de dagelijkse bekering vergeleken met het ritueel van het omkleden. Paulus heeft het op andere plaatsen weer over ”sterven” en ”opstaan” (zie bijvoorbeeld Romeinen 6). Die uitdrukkingen vind je terug in zondag 33, waar het over die dagelijkse bekering gaat. Je kunt ook de term ”heiligmaking” gebruiken. In elk geval is Gods kind dus niet in één keer klaar voor de hemel. De Heilige Geest gaat tot de laatste dag van het leven door met het toepassen van de genade van de Heere Jezus aan het hart en leven van de gelovigen.

Dat betekent dus ook dat een kind van God in dit leven nooit ‘klaar’ is. Hoezeer je kunt opkijken tegen iemand die de Heere vreest, besef altijd dat het geen volmaakt iemand is. Het is iemand ‘onderweg’. Een pelgrim, die altijd weer met Paulus moet zeggen: „Niet dat ik het alrede gekregen heb, of alrede volmaakt ben, maar ik jaag ernaar, of ik het oog grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben” (Fil. 3:12).

Het is goed dat Gods kinderen dit ook uitstralen en uitdragen, opdat anderen hen niet op een voetstuk zullen plaatsen. Ik denk daarbij aan wat prof. G. Wisse tegen het eind van zijn leven eens zei. Toen hij geïnterviewd werd, vroeg de verslaggever: „Professor, wanneer bent u bekeerd?” De man kreeg een antwoord waar hij niet op gerekend had, maar dat een diepe betekenis had: „Bekeerd ben ik, wanneer u mijn rouwadvertentie in de krant leest. Tot dat moment bén ik niet bekeerd, maar wórd ik bekeerd!”


 

Zit jij ook met een geloofsvraag? Laat het ons weten via info@puntuit.nl of stuur een appje naar 06-20601065.