Vervolging door OM van ‘blokkeer-Friezen’ niet consequent

„De politiek is nodeloos terughoudend in kritiek op het OM en op rechters.” Foto: Voorstanders van Zwarte Piet verzamelen zich bij de rechtbank in Leeuwarden op 11 oktober waar de rechtszaak tegen de 34 blokkeerfriezen wordt behandeld. beeld Siese Veenstra

De zware vervolging van rechtse activisten, waaronder de Zwarte Pietactivisten, staat niet in verhouding tot de aanpak van ander activisme. Het werkt maatschappelijke tegenstellingen in de hand, stelt mr. Jasper Endeman.

De rechtbank doet vrijdag uitspraak inzake het blokkeren van een snelweg door een Friese actiegroep. Zij wilden anti-Zwarte-Pietactivisten tegenhouden die op weg waren naar de intocht van Sinterklaas vorig jaar in Dokkum. Voor sommigen zijn deze blokkeer-Friezen helden. Anderen vinden dat ze te ver gingen. De rechtszaak heeft dan ook veel losgemaakt in Friesland en op sociale media. Nu ben ik groot voorstander van de transitie naar de roetveegpiet. Het verzet daartegen vind ik misplaatst, en grove acties zoals het blokkeren van een snelweg al helemaal. Maar ik ben ook jurist. En als jurist kijk ik met pijn in mijn buik naar het openbaar ministerie in deze zaak en de hoge strafeis: van 120 uur dienstverlening tot zelfs voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Het OM opende op de hoorzitting in oktober met zijn betoog dat de zaak niet gaat over opvattingen van de activisten (voor of tegen Zwarte Piet), maar over het recht tot demonstreren en toegang tot de openbare weg. Deze woorden klinken hol.

Ik kan me goed voorstellen dat dergelijke acties vervolgd worden, maar dan moet dat consistent gebeuren. Veel aangehaald is de blokkade op de Erasmusbrug door anti-Pietenactivisten met spandoeken ”verkeer gestremd wegens racisme”. De intocht van Sinterklaas liep daardoor vertraging op. De anti-Pietactivisten werden niet vervolgd. De politie zei ervan: „Er is niemand aangehouden, dat is wel het laatste wat we willen op een dag als vandaag, het is een kinderfeest.”

Antifa

Er zijn echter ook buiten de Zwarte Pietdiscussie vele voorbeelden van inconsistente rechtsvervolging. Antifa, een netwerk van antifascisten, heeft een ”laat-ze-niet-lopen”-beleid waarbij men demonstraties van rechts verstoort. En vorige maand nog dwarsboomde een groep van 150 islamitische jongeren een demonstratie bij een moskee door met blikken en flessen te gooien. De burgemeester van Utrecht blies de demonstratie vervolgens af. Tot een rechtszaak is het bij al deze gevallen niet gekomen. Er wordt afgedaan met een simpele boete en soms wordt dit zelfs ook achterwege gelaten.

In het recht bestaat er het zogenaamde ”opportuniteitsbeginsel”. Dat geeft het OM de vrijheid om zaken wel of niet te vervolgen. Maar als zo veel acties structureel niet of nauwelijks vervolgd worden, en de Friezen opeens wel, dan is er sprake van een probleem en lijken de achterliggende opvattingen wél een rol te spelen. Ik kan daarom niet anders concluderen: in deze zaken is Vrouwe Justitia niet blind.

Hoe moet het nu verder? Ten eerste de rechtszaak: Gaat de rechter hier echt een straf opleggen? Of kijkt hij, terecht, naar de vele andere gevallen waar niet vervolgd is of enkel lage boetes zijn opgelegd, en oordeelt navenant? De rechter heeft geen andere keuze dan het OM terug te fluiten.

Ten tweede het beleid vanaf nu: er moet eerst gekeken worden naar een verklaring voor het inconsistente handelen van het OM tot nu toe. Dit behoeft echt antwoord, want het valt niet uit te leggen dat sommigen helemaal niet en anderen wel worden vervolgd met zware straffen. Dat creëert breed in de samenleving een groot gevoel van onrechtvaardigheid.

Beleidsmatig verschil

Voor het verschil in aanpak zijn twee verklaringen mogelijk. De eerste is dat er een beleidsmatig verschil in aanpak per groep is. Het zou kunnen dat het nu bijvoorbeeld beleid is om activisme van links, islamisme en migrantengroepen enige ruimte te geven om een uitlaatklep te laten zijn voor frustraties en erger te voorkomen. Ten aanzien van ‘rechts’ activisme kan er voor een andere aanpak zijn gekozen, te weten een ”zerotolerancebeleid”, om groei van deze groepen te voorkomen. Zo een gedifferentieerde beleidskeuze naar aanpak per groep leidt tot rechtsongelijkheid en bovenal tot volstrekt maatschappelijk onbegrip. Dat is dus niet langer houdbaar.

Een andere verklaring is dat er toch, bewust of onbewust, een mate van vooringenomenheid meespeelt binnen het OM. Het WODC-rapport van mei 2018 ligt nog vers in het geheugen. Daaruit bleek dat links extremisme maar zelden vervolgd wordt, ondanks dat het linkse extremisme vaker voorkomt en gewelddadiger is dan het rechtse extremisme. Burgers zijn niet gek, ze onthouden dit. Dus moet het OM zich consistenter gaan gedragen. Hiervoor moet het OM aan zelfonderzoek doen. Als zij dat niet doet, dan moet de minister van Justitie een onafhankelijk onderzoek gelasten naar de invulling van het opportuniteitsbeginsel door het OM. Want nu brengt het OM geen rechtvaardigheid en maatschappelijke pacificatie (de doelen van het rechtstelsel), maar juist rechtsongelijkheid en maatschappelijke polarisatie. En van dat laatste hebben we meer dan genoeg.

Tweede Kamer

Ook de Tweede Kamer moet in actie komen. De politiek is nodeloos terughoudend in kritiek op het OM. Er leeft het verkeerde beeld dat de scheiding der machten dat niet toelaat. Dat is enkel zo wanneer in een lopende rechtszaak politici roepen wat de rechter moet oordelen. Maar in tegenstelling tot de rechter is het OM niet onafhankelijk maar valt onder de minister van Justitie. En ondanks dat aanwijzingen van de minister richting het OM zeldzaam zijn, bestaat die bevoegdheid wel degelijk.

Zelfs rechters zijn niet gevrijwaard van politieke aandacht. De wetgever moet de wet aanpassen als rechters te vaak wetten zodanig interpreteren dat het doel van de wetgever niet wordt gehaald. Zo zal de rechterlijke macht hopelijk weer optreden in lijn met de bedoeling van de wetgever. Denk aan de recente strafkorting door een rechter voor een verkrachter omdat hij anders uitgezet zou worden. Het was juist het doel van de Kamer om bij een bepaalde strafhoogte ook uit te zetten.

Aanpassing van de wet kan ook nodig zijn bij de Friezenzaak, wanneer er sprake is van inconsistentie bij het vonnis. Of bijvoorbeeld bij de relatief hoge terrorismestraffen (vijf jaar) voor het gooien van een molotovcocktail naar een lege moskee, en de lagere straffen (soms maar twee jaar) voor afreizen naar het kalifaat en het aansluiten bij het genocidale IS. Het is te hopen dan de rechter in deze zaak consistenter is en kijkt naar hoe er met soortgelijke gevallen van demonstraties en blokkades eerder is omgegaan.

De auteur is zelfstandig juridisch adviseur.