Maak werk van prolifevaccin tegen Covid-19

„Wat betreft het gebruik van geaborteerd foetaal weefsel bij de ontwikkeling van een coronavaccin moet een afweging worden gemaakt tussen het ”morele kwaad” van een abortus en de gezondheidsbelangen die met een vaccin worden gediend.” Foto: in laboratoria wordt intensief gezocht naar een vaccin tegen Covid-19. beeld AFP, Thibault Savary

Het gebruik van geaborteerde foetussen voor de ontwikkeling van vaccins is ethisch verwerpelijk. Daarom moeten hiervoor alternatieven worden aangewend.

„Wat ik fascinerend vind, is dat jullie werken met het netvlies dat uit een geaborteerd embryo is gehaald.” Zo begint Rick Nieman, presentator in WNL op zondag, zijn gesprek over een coronavaccin met hoogleraar Virologie Hanneke Schuitemaker. Zij is tevens hoofd vaccinonderzoek bij farmaceut Janssen in Leiden. Zo ligt op tafel wat normaal verborgen blijft in de buisjes en schaaltjes van het laboratorium. Want uit het netvlies van dit geaborteerde kind groeide een unieke cellijn, met de naam PER.C6. En elke cel is een uniek fabriekje om een vaccin op te testen.

Janssen maakt gebruik van deze cellijn, afkomstig van een achttien weken oude, gezonde foetus die in 1985 is geaborteerd. De moeder gaf toestemming voor het gebruik van het weefsel, maar of ze ook weet dat vervolgens de PER.C6-lijn werd ontwikkeld, is onzeker. Van cellen uit het netvlies die in kweek gebracht zijn, is een cel door behandeling met een adenovirus zich blijven delen en zo werd een cellijn gevormd. De cellijn werd eigendom van het Leidse bedrijf Crucell, dat geld verdiende door de cellen te verveelvoudigen en aan farmaceuten te verhandelen. In 2011 werd Crucell voor ruim 2 miljard dollar overgenomen door farmareus Johnson & Johnson uit de VS.

Wereldwijd wordt hard gewerkt aan de productie van een vaccin tegen Covid-19. Er zijn meer dan 160 vaccins in ontwikkeling, waarvan enkele zich in een eerste testfase bevinden. In het geheel van vaccinontwikkeling wordt slechts in enkele gevallen een cellijn gebruikt afkomstig van geaborteerd foetaal weefsel. Belangrijk punt is dat voor de productie van een vaccin niet bij herhaling geaborteerd weefsel nodig is, maar gebruik gemaakt wordt van een cellijn afkomstig van één abortus. De cellen zitten zelf niet in het vaccin, maar de verre ‘nakomelingen’ ervan worden gebruikt als fabriek om het dragervirus te produceren. Of één van de coronavaccins daadwerkelijk bij Janssen vandaan zal komen en geproduceerd is op PER.C6-cellen, is dus nog de vraag. Janssen wil echter snel zijn: ook in deze testfase ontwikkelt het bedrijf al een miljoenenvoorraad, nog voor zeker is of het coronavaccin überhaupt werkt. „Als we falen, zullen we alles moeten vernietigen.”

Drie visies

De laatste jaren zijn we ons toenemend bewust hoe ‘ethisch’ ons voedsel, onze kleding en ook onze techniek, zoals de smart-phone, worden geproduceerd. Dit achterhalen is niet altijd eenvoudig, maar wanneer we ons van misstanden bewust zijn, motiveert ons dat daarin verandering te brengen. Dit geldt evenzeer voor geaborteerd foetaal weefsel. Brandpunt van de ethische discussie bij de PER.C6-cellijn is de vraag of de ethiek van abortus provocatus kan worden ‘losgekoppeld’ van de ethiek van het gebruik van foetaal weefsel. Kun je, met andere woorden, bij een opvatting over het gebruik van weefsel van de dode foetus de ethiek van de voorafgaande abortus provocatus buiten beschouwing laten? Wereldwijd wordt daarover nagedacht. We laten drie visies de revue passeren.

1. In de VS stelt het prolife Charlotte Lozier Institute dat het gebruik van deze vaccins „onethisch” zou zijn, omdat het onschuldige mensenlevens uitbuit die zijn afgebroken. Zelfs als cellen jarenlang in een laboratorium zijn vermeerderd, blijft die verbindingslijn bestaan. Het gebruik roept dus gewetensproblemen op voor iedereen die dat vaccin zou kunnen krijgen en zich bewust is van de afstamming ervan. Zeker ook omdat vaccinontwikkeling eveneens mogelijk is zónder de hulp van een foetale cellijn. Dit maakt wetenschappers, producenten, beleidsmakers en financiers evengoed verantwoordelijk met betrekking tot burgers, ook als ze zelf geen persoonlijk gewetensprobleem ervaren.

2. John Di Camillo, ethicus bij het National Catholic Bioethics Center in Philadelphia (VS), verwijst naar de rooms-katholieke encycliek ”Dignitas Personae” (2008). „Voor onderzoekers is het verplicht het gebruik van cellijnen die zijn ontwikkeld door het gebruik van weefsel van geaborteerde foetussen, te vermijden en gebruik te maken van weefsel dat niet ethisch belast is. Maar als het enige beschikbare vaccin tot stand gekomen is met behulp van dit foetaal weefsel, mag je het gebruiken als er een ernstige bedreiging is voor de gezondheid of het leven van het individu of van de grotere bevolking. Dit houdt geen strikte verplichting in om het te gebruiken, maar het kan zeker een gewetensvolle keuze zijn als er geen ander redelijk alternatief is.”

3. Deze denklijn wordt gedeeld door Kyle Christopher McKenna, universitair hoofddocent Biologie in Ohio (VS). McKenna stelt als punt van zorg dat het gebruik van foetaal weefsel om iets goed te bewerkstelligen niet alleen leidt tot ongevoeligheid voor het gebruik van dit weefsel, maar ook kan leiden tot een verandering van denken waarbij deze cellen ‘slechts’ gezien worden als middel om in de baarmoeder te kweken. Dat deze angst niet ongegrond is, blijkt uit recent Mexicaans onderzoek, waarvoor vrouwen zwanger werden gemaakt om onderzoek met hun embryo’s te kunnen doen. McKenna roept op oppositie te blijven voeren tegen gebruik en normalisatie van foetaal weefsel.

‘Alleskunners’

Hoe moeten we hiermee omgaan? Als NPV verzetten we ons tegen abortus (tenzij het leven van de moeder in gevaar is), dus zeker tegen de huidige, ruime abortuspraktijk. Ongeacht of er met ‘abortusweefsel’ ook nog nuttige dingen gedaan kunnen worden; dit rechtvaardigt de praktijk niet. Het is een gegeven dat soms weefsel van geaborteerde foetussen gebruikt wordt voor onderzoek. De abortusbeslissing is apart daarvan genomen. Toch is het abortusverleden niet geheel los te zien van het weefsel zelf en alleen in het geval van een medisch noodzakelijke abortus is het gebruik ethisch onomstreden, mits de ouders toestemming gaven. Zo kent het AMC in Amsterdam een foetusbiobank, waar foetussen bewaard worden voor medisch onderzoek, bijvoorbeeld over aangeboren afwijkingen en de groei van een foetus.

We moeten het gebruik van embryonaal en foetaal weefsel aan de orde blijven stellen, ook nu de druk toeneemt om embryo’s voor onderzoek te kweken. We verzetten ons hiertegen en stimuleren alternatieven. Inmiddels blijkt dat ook stamcellen uit volwassen personen ‘alleskunners’ zijn die in plaats van embryonale cellen gebruikt kunnen worden. Ook worden nu vaccins ontwikkeld zonder de hulp van geaborteerd foetaal weefsel. Dat kan dus.

Spanning

Maar terug naar het gebruik van geaborteerd foetaal weefsel bij de ontwikkeling van een coronavaccin: Hier moet een afweging worden gemaakt tussen het ”morele kwaad” van een abortus en de gezondheidsbelangen die met een vaccin worden gediend. Blijft een cellijn die van dergelijk weefsel is afgeleid tot in lengte van jaren taboe? Dat is moeilijk vol te houden. Veel kennis in de huidige geneeskunde komt van experimenten en experimentele geneeskunde die we nu ethisch zouden afkeuren. En niet alleen de geneeskunde is besmet; ook de economie zit vol van ongerechtigheid waaraan we ons niet (geheel) kunnen onttrekken. Er blijft een spanning tussen onze onvermijdelijke verbondenheid met dingen in de samenleving die tegen Gods geboden ingaan en de oproep ons onbesmet van de wereld te bewaren. Hierom wijzen wij ook het gebruik van een dergelijk vaccin niet af, als dat voor velen van levensbelang kan zijn. Als we dit deden, onderkenden we onvoldoende dat we deel uitmaken van een wereld waarin kwaad is waarop wij niet direct invloed kunnen uitoefenen, maar waarvan we ook niet geheel losstaan. Maar we blijven ook de bedreiging van de menselijke beschermwaardigheid, vanaf het prilste ontstaan, benoemen en tegengaan.

Het gebruik van geaborteerde foetussen voor de ontwikkeling van vaccins is ethisch verwerpelijk. Daarom moeten hiervoor alternatieven worden aangewend. Hoewel het persoonlijk gebruik van een dergelijk vaccin op zichzelf ethisch aanvaardbaar kan zijn, wordt met deze alternatieven tevens voorkomen dat mensen in gewetensnood raken door gebruik van een vaccin waarvoor geaborteerd foetaal weefsel is benut.

Diederik van Dijk en Elise van Hoek-Burgerhart zijn respectievelijk directeur en manager beleidsbeïnvloeding van NPV | Zorg voor het leven.