Jozua is een voorbeeld voor leiders

Jozua en Kaleb mogen een ander geluid laten horen dan de tien verspieders. Foto: de verspieders tonen de druiven aan Mozes, geschilderd door Giovanni Lanfranc in 1621 - 1624. beeld Getty Museum

Jozua is een identificatiefiguur voor leiders. In de geestelijke strijd kan het soms nodig zijn te midden van gelijkgezinden een minderheidsstandpunt in te nemen. Voor leidinggevenden is dit een belangrijke les. Tegelijk moet het verkeerde voorbeeld van Jozua waakzaam maken.

Identificatiefiguren worden zij wel genoemd. Mensen aan wie wij ons kunnen spiegelen, van wie wij kunnen leren als het gaat om de uitoefening van onze taken. De Bijbel beschrijft mede om deze reden het leven van verschillende personen. Als het gaat om de functie van leidinggevende mag in het bijzonder het leven van Jozua, de zoon van Nun, worden genoemd. Ik benoem een aantal zaken die opvallen en navolgenswaardig zijn.

Het eerste is zijn luisteren naar Mozes. Op zijn beurt was hij een jonge leerling van Mozes. Hij week niet „uit het midden der tent” (Exodus 33:11), in de buurt van Mozes. Later heeft hij daarvan veel profijt gehad. Neem alleen al het gebedsleven van Jozua. Wie hem hoort bidden na de nederlaag bij Ai hoort Mozes’ gebed voor het volk terug. Van Mozes leerde Jozua pleiten op Gods deugden, op Zijn waarheid en op Zijn eer: „Als het de Kanaänieten en alle inwoners des lands horen zullen, zo zullen zij ons omsingelen en onzen naam uitroeien van de aarde; wat zult Gij dan Uw groten Naam doen?” (Jozua 7:9).

Pleiten

Laten onderwijzers dat pleiten doorgeven aan de kinderen. In een tijd waarin gezag steeds meer ter discussie staat, is het belangrijk te benadrukken dat de Heere onderwijzers geeft voor het verkrijgen van aardse kennis, maar ook voor het ontvangen van geestelijke kennis. Leer hen ook wat bidden is. Pleitend bidden gebeurt op grond van de belofte. Deze belofte is in dit verband ook de kinderdoop. Zoals de ouden het zeiden: „Laat je gedoopte hoofd maar aan de Heere zien, kinderen!”

Een tweede leerelement uit Jozua’s leven is het voeren van de strijd. De eerste keer is dat in de zware strijd tegen Amalek. Op geestelijke wijze mag Mozes, ondersteund door Aäron en Hur, vanaf een heuveltop de strijd begeleiden. Zolang de staf maar omhoog wijst, naar de Heere der heirscharen, is Jozua met zijn leger aan de winnende hand. Aäron en Hur moeten daarom Mozes, die vermoeide armen krijgt, ondersteunen. Jozua mocht leren nooit in eigen kracht te strijden. Wel de middelen gebruiken (zoals het uitzoeken van soldaten, het bepalen van de strategie), maar zónder de zegen van de Heere zal het niet gelukken. Later zien wij opnieuw hoe de Heere Zelf hem tegemoet treedt, als Jozua niet (meer) weet hoe hij het schijnbaar onneembare Jericho moet veroveren. Alle bezwaren vallen weg als hij mag horen: „Ik ben de Vorst van het heir des Heeren; Ik ben nu gekomen” (Jozua 5:14).

Zo moeten onze kinderen worden onderwezen in de geestelijke strijd en in de noodzaak van het dragen van de wapenrusting. Onderwezen worden in het bestaan van de geweldige strijd tegen de „boosheden in de lucht.” Ook moeten zij worden onderwezen in het medicijn, in de geestelijke wapenrusting die Paulus beschrijft in Efeze 6.

Tegen de stroom in

In de geestelijke strijd kan het soms nodig zijn te midden van gelijkgezinden een minderheidsstandpunt in te nemen. Voor leidinggevenden is dit een zeer belangrijke les. Wij zien dit terug in de bekende geschiedenis van de verspieders. Tien van hen doen verslag: „En wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen” (Numeri 13:33). Ze zeggen het wel op zo’n toon dat iedereen aanvoelt dat de verspieders zelf niet geloven dat het mogelijk is het land in te nemen. Twee andere verspieders, Jozua en Kaleb, mogen een ander geluid laten horen. Ze zijn realistisch, erkennen de overmacht in het beloofde land, maar wijzen vervolgens van zichzelf af: „Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, zo zal Hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven” (Numeri 14:8).

Een eerlijk en moedig getuigenis. Een les. Laten wij onze kinderen voorhouden dat het verkeerd gaat met deze wereld, dat de geestelijke vijanden zeer sterk zijn, maar laten we hen vervolgens wijzen op de Heere, die niet zonder reden Zichzelf de Heere der heirscharen noemt. Ook moeten collega’s soms worden terechtgewezen op grond van Schrift en belijdenis. Daarvoor is moed nodig, want het kan vriendschappelijke verhoudingen op de proef stellen. Maar men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan mensen.

Realistisch zijn

In zijn afscheidspreek houdt Jozua het volk nog eenmaal voor dat zij de Heere moeten dienen en niet de afgoden van die tijd. Jozua mag hierin het goede voorbeeld geven. Wat jullie ook doen... „maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen den HEERE dienen” (Jozua 24:15b). Niet zelden – en terecht – wordt bij het bevorderen van huisgodsdienst naar deze tekst verwezen. Het volk antwoordt geestdriftig: „Het zij verre van ons, dat wij den HEERE verlaten zouden, om andere goden te dienen.”

Maar Jozua is er niet gerust op. En dat zegt hij ook eerlijk: „Gij zult den HEERE niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God” (Jozua 24:19a). Jozua weet hoe het mensenhart is. Alleen een door de Heilige Geest wedergeboren hart, een besneden hart, zal de Heere gaan dienen zoals Hij gediend wil worden (vergelijk Heidelbergse Catechismus vraag 91). Hij wijst erop dat een mens ‘niet goedkoop’ zondigt: „Hij is een ijverig God, Hij zal uw overtreding en uw zonden niet vergeven” (vers 19b). Dat moeten wij ook onze kinderen voorhouden. Ook onze kinderen moeten leren dat het dienen van de Heere niet gemakkelijk is, dat vernieuwing van het hart nodig is, door het werk van Gods Geest.

Van fouten kun je leren. Moet je leren. Dat gold ook van Jozua. Hij was een man „van gelijke bewegingen als wij.” Hoewel hij zeer getrouw de bevelen die Mozes heeft gegeven, uitvoert, begaat ook Jozua een misstap. En die misstap zal het volk in zware rouw brengen. Jozua heeft de strijd tegen Ai voorbereid met behulp van zijn adviseurs. Samen concluderen zij dat 3000 strijdbare mannen voldoende zijn om deze stad te veroveren. Maar Jozua verzuimt de Heere te raadplegen bij monde van de hogepriester Eleazar (Numeri 27:21).

Waken en bidden

Hoe zou dat toch komen? Waarschijnlijk dacht Jozua dat, nu de Heere Zijn bijstand had getoond bij de verovering van Jericho, Hij het ook wel zou doen bij het innemen van Ai. Als God in het ‘grote’ helpt, zal het ‘kleine’ ook wel lukken. En mogelijk begon Jozua ook al wat meer te vertrouwen op eigen ervaring en op zijn adviseurs. Daardoor kwam hij niet tijdig te weten dat de Heere ditmaal niet zou voorgaan in de strijd, omdat Achans zonde niet was ontdekt en bestraft. Later valt Jozua opnieuw in deze zonde, als de mannen van Gibea met een list tot hem komen om met hem een verbond te sluiten. Zonder de Heere te raadplegen, gaat Jozua op hun voorstel in.

Het moet ons wel heilig ongerust maken als wij bedenken dat iemand als Jozua, een type van de Heere Jezus, in deze zonde van nalatigheid kan vallen. Daarom moeten wij altijd waken en bidden. Altijd alert blijven, juist op de aanwezigheid van de „kleine vossen.” Kleine vossen zijn de in onze ogen minder opvallende zonden, zoals de zonden van nalatigheid, een slordig gebedsleven, te weinig stille tijd, ‘gewone’ dingen van dit leven niet aan de Heere voorleggen in het gebed. De Heere wil in ál onze wegen gekend worden.

De auteur is predikant van de gereformeerde gemeente van Dordrecht. Dit artikel is een samenvatting van een lezing die hij vrijdag hield op de schoolleidersdag in Houten, georganiseerd door de VGS en Driestar managementadvies.