Gods daden in de agenda

Het kerkelijke jaar richt de aandacht. Het breekt in menselijke agenda’s in. Het vraagt niet of het gelegen komt om advent te houden; of mensen er tijd voor hebben.  beeld iStock

Orthodox-gereformeerde kerken kennen doorgaans een sobere liturgie. Toch houden ze zich aan de katholieke traditie van het kerkelijk jaar, ondanks bedenkingen van Calvijn. Maar welke waarde heeft de kerkelijke kalender in deze tijd?

Calvijn had weinig op met kerkelijke feestdagen. Ongetwijfeld heeft dit te maken met ontsporingen die hij in de Rooms-Katholieke Kerk waarnam. Een uitgebreide heiligenkalender leidde veelal tot volksvermaak.

De belangrijkste reden dat Calvijn zich weinig van het kerkelijk jaar aantrok, is echter dat de zondag voor hem de feestdag was. En wie zondag zegt, die zegt verkondiging van het Woord.

Evenals Calvijn waren de eerste generaties gereformeerden in de Nederlanden huiverig voor het fenomeen kerkelijk jaar. Zo schafte de Synode van Dordrecht in 1574 rigoureus alle feestdagen af. Men moet aan de zondag genoeg hebben, zo luidde het argument. Het herstel van de kerkelijke kalender liet tot in de negentiende eeuw op zich wachten.

Vanuit reformatorisch gezichtspunt is het dus niet vreemd om terughoudend te zijn ten opzichte van het kerkelijk jaar. Toch is het voor gereformeerde christenen vandaag niet meer weg te denken. Een predikant die in de weken voor Kerst geen adventsstof preekt of tijdens de kerstdagen het kerstevangelie laat liggen, krijgt ongetwijfeld kritiek uit de gemeente. Scholen die de kerstviering afschaffen, krijgen verontruste ouders op de stoep. En terecht. Toch roept dit de vraag op waarom reformatorische christenen zich voegen naar een katholieke traditie. Waarom ook niet op dit punt Calvijn gevolgd?

De kwestie van de kerkelijke kalender laat zien dat antwoorden van vroeger niet zomaar vandaag toepasbaar zijn. Dat Calvijn weinig ophad met kerkelijke feestdagen is namelijk maar één kant van het verhaal. Voor hem stond de zondag centraal; hij preekte echter ook vele keren in de week. De verkondiging van Gods Woord bepaalde het ritme van de hele week.

Ver verleden

Wat dat betreft stamt Calvijn inmiddels uit een ver verleden. Reformatorische christenen zijn kinderen van hun tijd. Concentratie, aandacht, stille tijd: het staat onder druk door de hectiek van het leven van alledag. Niet alleen door de volle agenda, overigens. Vroeger waren mensen immers ook druk met hun werk. De opmars van de media is een veel belangrijker oorzaak dat stilte, aandacht en concentratie verdwijnen. De vele bezinnende publicaties over mediagebruik in de gereformeerde gezindte benoemen deze dreiging; tegelijk is het voor mensen moeilijk om zich aan die mediadruk te onttrekken.

In die context is de vraag naar de waarde van het kerkelijk jaar zinvol. God laat Zich immers niet in de drukte, maar in de stilte vinden. Te midden van de hectiek biedt de kerkelijke kalender heilzaam structuur. De vraag is niet of mensen tijd hebben om God te ontmoeten. De boodschap is: o mens, bereid u voor! De adventsweken bereiden voor op Kerst; de lijdensweken staan in het teken van Pasen; vanuit Pasen gaat het naar Pinksteren; en aan het einde van het kerkelijk jaar begint het van voren af aan. Niet als een tredmolen, overigens. Ieder jaar brengt de wereldwijde mensheid immers dichter bij Jezus’ wederkomst.

Wie zijn agenda door de kerkelijke kalender laat bepalen, voegt zich in een eeuwenoude praktijk. Een menselijke praktijk, dat wel. Nergens in de Bijbel staat immers een verplichting om het kerkelijk jaar aan te houden. Wat dat betreft heeft Calvijn gelijk: alleen de zondag heeft, als dag van samenkomst van de gemeente van Christus, Bijbelse papieren.

Het kerkelijk jaar bepaalt echter wel bij de heilsdaden van God. Daarom is deze gegroeide praktijk niet zonder betekenis. Het woord ”praktijk” is in dit verband belangrijk. Volgens de Britse filosoof Alasdair MacIntyre kent het leven veel sociale praktijken. Mensen doen gezamenlijk dingen om een doel te bereiken. Zo leren ze de beginselen van schaken, om het schaakspel te kunnen spelen en om ervan te genieten. Die praktijk bedenken mensen niet zelf; ze is ingebed in een traditie.

Gezamenlijkheid

Het kerkelijk jaar is ook op te vatten als een praktijk, gegroeid in de traditie van de kerk der eeuwen. Mensen mogen zich voegen in die eeuwenoude praktijk. Daar zit een element van gezamenlijkheid in: samen met christenen wereldwijd, met de eigen kerkelijke gemeente, in de kring van familie en gezin horen ze de heilvolle daden van God. Volgens MacIntyre heeft een praktijk niet alleen een vaste structuur, maar ook een doel. Het kerkelijk jaar neemt mensen bij de hand. Het bepaalt hen het jaar door bij kribbe en kruis van Christus, bij Zijn opstanding en hemelvaart, bij de uitstoring van de Heilige Geest en bij de verwachting van Jezus’ wederkomst. Doel ervan is dat mensen God op Zijn Woord geloven.

Nu is geloof een gave van de Heilige Geest. Dit laat echter onverlet dat mensen zich moeten afvragen hoe het zit met concentratie, met aandacht en stille tijd. Drukte staat de Geest in de weg. Volgens de Franse filosoof Simone Weil is het op God gerichte verlangen de enige kracht die de ziel omhoog kan heffen. God komt, aldus Weil, slechts tot hen die Hem vragen te komen. En Hij kan Zichzelf er niet van weerhouden te komen tot degenen die Hem er lang, vurig en dikwijls om smeken. Mogelijk leidt dit citaat tot reformatorische bedenkingen. Het klinkt immers eerder katholiek dan reformatorisch. Maar de rooms-katholieke Simone Weil kon zich op dit punt weleens dichter bij Calvijn bevinden dan reformatorische christenen die vooral druk zijn met zichzelf, met hun carrière en met hun sociale media.

Gedreven

Het kerkelijk jaar richt de aandacht. Het breekt in menselijke agenda’s in. Het vraagt niet of het gelegen komt om advent te houden, of mensen er tijd voor hebben. Het appel klinkt: Bereid u voor! Want de HEERE komt. Nog een keer Weil: „Mensen zetten geen stap zonder ertoe gedreven te zijn. Of liever: zonder met name geroepen te zijn. De taak van de bruid bestaat uit wachten. De slaaf wacht en waakt terwijl zijn meester naar het feest is. De voorbijganger nodigt zichzelf niet uit voor het bruiloftsmaal; hij wordt er bijna tot zijn verrassing naartoe gesleept.” Wachten is in dit verband geen passiviteit. Het is, aldus Weil, aandachtige verwachting. De kerkelijke kalender is een heilzaam middel om die verwachting te oefenen.

Het oefenen van verwachting stelt eisen aan de praktijk; aan de kerkelijke praktijk allereerst. Preken over heilsfeiten is meer dan een voorspelbare woordenstroom. In de kerk vallen Gods kalender en de aardse tijd immers even samen, als de heilige God tot zondaren komt, ontdekkend en heilzaam. Dit stelt eisen aan de verkondiging, maar het vraagt ook om momenten van stilte. De gemeente moet zich immers ergens oefenen om op de hoogte van de heilsfeiten te komen. Waar kan dit beter dan in het huis van God?

Verwachting oefenen raakt ook de praktijk in het gezin. Is er thuis plaats en tijd om aandachtige verwachting te oefenen? Bijvoorbeeld door kinderen te vertellen waarom Christus kwam, en hoe diep Hij kwam om zondaren te redden. Wie op internet zoekt, vindt mooie voorbeelden van verbindingen tussen het kerkelijk jaar en kinderlevens. En laten volwassenen zichzelf niet vergeten. Aandachtige verwachting vraagt stilte; even los van de waan van de dag. Gevulde stilte: „Kind, komt Gij ditmaal in ons hart, om alle duisternis en smart, en alle zonde en plagen, op eenmaal te verjagen?”

Het kerkelijk jaar richt de aandacht op wat eeuwigheidswaarde heeft. Dat wil de Geest zegenen.