EU heeft toekomst als gedeelde belangen voorop staan

Onze neocalvinistische traditie biedt het gedachtegoed op basis waarvan een nieuwe EU-structuur kan worden ontworpen. Foto: exterieur van het Europees Parlement in Straatsburg. beeld ANP, Jonas Roosens

Er is alle reden om door te gaan met samenwerken in Europa, maar meer decentraal en op vrijwillige basis. De vraag hoe de lidstaten elkaar kunnen aanvullen en dienen, moet daarbij leidend zijn.

De Europese verkiezingen staan voor de deur. De gebruikte leuzen kunnen niet verbloemen dat het alle partijen aan visie ontbreekt, op D66 na. Die partij streeft open naar de Verenigde Staten van Europa, waarbij weinig nationale autonomie overblijft.

De meeste andere partijen, inclusief de combinatie van ChristenUnie en SGP, zeggen dit niet te doen, maar doen in feite hetzelfde. Zo wil CU-lijsttrekker Peter van Dalen dwingende Europese afspraken op gebieden waar dat nodig is, zoals klimaat, energie en migratie, en terugtreding van de EU bij wat de lidstaten prima zelf kunnen regelen, zoals onderwijs, gezondheidszorg en pensioenen. Pragmatische argumenten geven de doorslag, geen principiële.

Dankzij Van Dalen en zijn SP-collega Dennis de Jong staat aandacht voor christenvervolging nu op de Europese agenda. Geweldig, maar tegelijk weer een extra item op die steeds verder uitdijende agenda. De weerstand daartegen groeit en de populistische partijen die deze weerstand verwoorden, lijken af te stevenen op een monsterzege. Ook als, zoals bij de ChristenUnie/SGP, het verkiezingsprogramma echt andere taal spreekt.

Is er dan geen andere keus? Ik denk het wel en bied een richting voor een alternatief, dat ik illustreer aan de hand van een succesvol voorbeeld op mijn eigen specialisme: technische normalisatie.

Richtingwijzers

De Europese Unie is opgericht om in Europa geen oorlog meer te hebben, door economisch samen te werken en afhankelijk van elkaar te worden. Dat is gelukt en mag een reden zijn tot grote dankbaarheid. Dit biedt meteen een eerste les voor het vervolg: ga door met die economische samenwerking. Dus een gemeenschappelijke markt voor producten en diensten zonder handelsbelemmeringen.

Een tweede element zit in het uitgangspunt van de oprichters van de EU: zij werden gedreven door christelijke idealen en zagen de EU als een waardengemeenschap. Dat is nu grotendeels ondergesneeuwd; lidstaten zijn vooral uit op eigen voordeel. Dat leidt tot calculerend gedrag en wantrouwen; ”welbegrepen eigenbelang” is een te zwakke basis voor goede samenwerking en inspireert al helemaal niet. Zie voor een uitwerking van deze waarden Sander Luitwielers boek ”In verscheidenheid verenigd - Een positief-kritische visie op de Europese Unie”, geschreven in opdracht van de G. Groen van Prinstererstichting, het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie.

Voor een derde richtingwijzer kunnen we te rade gaan bij een boek van wijlen Pieter Bos: ”De Volken Geroepen – Een theologie over de volken en hun verlossing”: landen en volken zijn verschillend en weerspiegelen elk iets van God zelf. Deze positieve eigenschappen kunnen door zonde zijn vertroebeld, maar elk volk heeft de roeping God te dienen en met zijn eigen gaven dienstbaar te zijn aan andere volkeren en daarmee aan God zelf. Een Europese eenheidsstaat ondermijnt deze roeping, een Europees samenwerkingsverband tussen onafhankelijke staten biedt juist een kader ervoor.

De vierde en laatste les is dat elke concentratie van macht kan leiden tot machtsmisbruik. De maatschappij moet daarom zo worden ingericht, dat macht wordt gespreid. Montesquieu bedacht daarvoor de scheiding tussen wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht. Abraham Kuijper en de reformatorische wijsbegeerte kwamen met de gedachte dat de overheid niet boven, maar naast andere maatschappelijke verbanden staat, die elk ”soeverein in eigen kring” zijn. De econoom Ernst Friedrich Schumacher kwam met een pleidooi voor kleinschaligheid in het bedrijfsleven: ”Small is beautiful” (Nederlandse versie: ”Hou het klein”). Dat doet recht aan de menselijke maat en draagt bij aan duurzaamheid.

Op andere wijze was kleinschaligheid ook al doordacht: in het zogenaamde subsidiariteitsbeginsel uit de rooms-katholieke sociale leer. Hierin wordt gesteld dat de overheid slechts taken op zich moet nemen waar individuen en private organisaties dat niet zelf kunnen doen. Hier staat de overheid overigens boven de andere verbanden, terwijl ze dat bij Abraham Kuiper en zijn navolgers slechts doet als wetgever. Verder staat zij náást de andere verbanden.

Succesvolle samenwerking

Een succesvol voorbeeld van de combinatie van deze uitgangspunten is te vinden op het gebied van technische normalisatie. In de traditie van de meeste landen in West-Europa is dit een private activiteit: experts uit bedrijven en andere organisaties komen samen in commissies en maken afspraken over meestal technische zaken. Die afspraken worden normen genoemd. In Nederland gebeurt dat in commissies van het Nederlands Normalisatie-instituut. De besluitvorming is op basis van consensus en de afspraken zijn vrijwillig – het staat een ieder vrij ze wel of niet te gebruiken. Maar het feit dat ze er zijn, helpt de zakenwereld en draagt bij aan bijvoorbeeld aansluitbaarheid, kwaliteit, veiligheid en duurzaamheid.

De nationale normalisatie-instellingen van de lidstaten van de Europese Unie en de Europese Vrijhandelsassociatie (EVA) hebben onderling afgesproken dat, als meerdere landen interesse hebben in een norm op hetzelfde gebied, ze die norm gezamenlijk gaan ontwikkelen. Dit doen ze in commissies van de Europese normalisatie-instelling CEN of (voor elektrotechniek) CENELEC. Een eventuele ermee strijdige nationale norm trekken ze in.

Dankzij deze samenwerking hebben de EU- en EVA-lidstaten en ook enkele andere landen, zoals Servië en Turkije, nu dezelfde Europese normen in hun nationale normensysteem. Het gebruik is vrijwillig, maar dit vergemakkelijkt de internationale handel. Ook met landen buiten Europa, want de meeste Europese normen zijn gebaseerd op internationale normen. In sommige gevallen verwijst de Europese wetgever naar Europese normen, vooral wanneer de veiligheid van producten in het geding is.

De Europese ”Richtlijn” bevat dan de essentiële veiligheidseisen, terwijl technische details en meetmethoden in Europese normen worden vastgelegd. Een Europese Richtlijn moet in de wetgeving van de lidstaten worden opgenomen en is verplicht. De bijbehorende normen blijven vrijwillig, want een fabrikant behoudt de vrijheid om het voldoen aan de wettelijke veiligheidseisen op een andere manier aan te tonen dan door de normen te gebruiken.

Dit Europese systeem van technische regelgeving is superieur aan dat in alle andere landen in de wereld. In de Verenigde Staten is er aan de ene kant concurrentie tussen verschillende normen, wat voor veel onduidelijkheid zorgt. Aan de andere kant schrijven overheden veel meer eisen dwingend voor, vergeleken met Europa. Die eisen verschillen ook nog eens per staat of deel daarvan: de VS hebben 170 verschillende eisenpakketten, terwijl binnen Europa meer dan dertig landen dezelfde eisen hebben. In China legt de overheid de meeste eisen dwingend op. Die eisen verschillen soms ook per provincie en per stad. Het Europese systeem stimuleert innovatie, het Amerikaanse en Chinese systeem hinderen innovatie en leiden ook niet tot meer veiligheid.

Vertrouwen

Dit Europese normalisatiesysteem voldoet grotendeels aan de zojuist geschetste uitgangspunten voor Europese samenwerking. In de eerste plaats: het is een belangrijke bouwsteen voor de ene vrije Europese markt zonder handelsbelemmeringen. Onnodige verschillen tussen normen in lidstaten belemmeren de handel, ook als die normen vrijwillig zijn. Om in de markt succesvol te zijn, moeten exporteurs immers voldoen aan de specificaties die voor hun klanten gebruikelijk zijn.

”Idealen” zijn bij normalisatie eveneens te vinden, vooral in de principes voor deelname en besluitvorming, zoals open zijn voor alle belanghebbenden die willen meedoen, transparantie en consensus. Ook maatschappelijke organisaties kunnen dus meedoen. Als zij het oneens zijn met een voorstel vanuit het bedrijfsleven is er geen consensus en moet de commissie naar een andere oplossing zoeken, die voor iedereen acceptabel is.

In het Europese systeem is er ook een duidelijk onderscheid tussen wie de norm of wetgeving opstelt en goedkeurt en de partijen die een rol spelen bij het beoordelen van het voldoen aan de eisen. De primaire verantwoordelijkheid ligt bij de fabrikant zelf. Soms zijn er private certificatie-instellingen die conformiteit aan de eisen toetsen. Slechts in uitzonderingsgevallen spelen inspectiediensten van de overheid een rol.

Er hoeft veel minder vaak dan in de Amerikaanse markt een beroep op de rechtelijke macht te worden gedaan om geschillen te beslechten, simpelweg omdat vertrouwen in plaats van wantrouwen het uitgangspunt is. Dus duidelijke scheiding van machten en een beperkte rol voor de overheid; private partijen nemen hun eigen verantwoordelijkheid.

Ook is het systeem decentraal. Commissies op nationaal niveau bereiden voor de commissies op Europees niveau de inbreng voor. Het secretariaat daarvan wordt niet gevoerd door CEN of CENELEC, maar door een nationale normalisatie-organisatie. Ook de toetsing is nationaal en een product dat de markt in één lidstaat op mag, mag dat automatisch ook in alle andere lidstaten. Zo helpen de landen elkaar, al zijn ze het uiteraard soms oneens over de inhoud van een norm.

Gezamenlijke belangen

Omdat Europese normalisatie zo sterk aan de beleidsdoelstellingen van de EU bijdraagt, heeft de Europese Commissie haar grip erop willen versterken, onder andere via wetgeving. Maar daardoor bepaalt zij meer en meer de agenda en is het systeem bureaucratischer geworden. De EC ziet dat nu ook en wil het systeem verbeteren.

Als voorzitter van de Europese vereniging van wetenschappers op normalisatiegebied had ik het genoegen hierover met de EC mee te denken. Daarbij heb ik onder andere de visie van Abraham Kuiper ingebracht. De Europese Commissie is nu met een voor haar ongekende aanpak gekomen: zij gebruikt haar machtspositie niet om iets op te leggen, maar stelt zich op als partij naast de andere partijen, om samen met hen dat systeem te verbeteren.

Meer dan honderd partijen hebben hiertoe in 2016, tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU, een samenwerkingscontract getekend: overheden, branche-organisaties, normalisatie-instellingen en maatschappelijke organisaties, op zowel nationaal als Europees niveau. Van iedereen wordt een constructieve inbreng verwacht. Dat is voor sommigen nog even wennen: de knop moet om van verdediging van eigen belangen naar inzet voor het gezamenlijke. En binnen de Europese Unie was het ook niet eenvoudig deze nieuwe manier van werken goedgekeurd te krijgen. Het denken in termen van macht die opgelegd wordt, is gemeengoed in Brussel. Maar het loopt en het lukt inderdaad om tot verbeteringen te komen.

Lessen

Wat kunnen we hieruit leren? Primair dat het inderdaad mogelijk is om binnen Europa op een andere manier samen te werken, grotendeels door andere partijen dan overheden. Misschien nog wel het belangrijkste is: kiezen voor de EU als waardengemeenschap en vervolgens de consequentie daaruit trekken. Door niet langer de vraag centraal te stellen wat wij aan de EU hebben, maar wat anderen aan ons kunnen hebben.

Om bij ons eigen landje te blijven: hoe kan Nederland dienstbaar zijn binnen de Europese Unie? Pieter Bos typeert Nederland als een profetische natie: wij hebben ideeën en willen die ook uitdragen. Een mooi voorbeeld is Hugo de Groot, die de basis legde voor het internationale recht. En in zijn lijn dragen we nog steeds actief bij aan een internationale rechtsorde. De vele Haagse instellingen op dit gebied getuigen hiervan. We hebben ook unieke kennis, waar we anderen mee kunnen helpen, onder andere op gebieden als watermanagement en landbouw. Technische kennis, maar ook kennis over hoe dit organisatorisch vorm kan krijgen, zoals onze unieke waterschappen.

De socioloog Hofstede liet zien dat Nederlanders een unieke combinatie van kenmerken hebben die hen in staat stelt mensen uit andere culturen te begrijpen. Dat heeft ons geholpen bij zending en handel, maar stelt ons ook in staat de Europese Unie te begeleiden in het vinden van nieuwe richtingen. Onze neocalvinistische traditie biedt het gedachtegoed op basis waarvan een nieuwe EU-structuur kan worden ontworpen. Nederland heeft als rijk landje simpelweg ook geld te bieden voor armere delen van Europa. Zolang we niet uit de euro durven te stappen, zullen we dat zelfs structureel moeten doen. En misschien zijn wij wel beter in staat om vluchtelingen op te vangen dan Polen of Hongarije. Waarom zou alles uniform verdeeld moeten worden? Maar dan moeten Polen en Hongarije ook bevraagd kunnen worden op de bijdrage die zij leveren aan een beter Europa, op welke manier ook.

Hoe verder?

De richting die ik schets, zou verder uitgewerkt moeten worden, door voor alle activiteitengebieden van de EU na te gaan of ze wel nodig zijn. En, zo ja, of het inhoudelijk en organisatorisch niet beter kleinschaliger kan: nationaal of zelfs lokaal, en ook geheel of gedeeltelijk door andere partijen dan overheden. Betere organisatievormen bieden geen garantie voor een betere wereld, maar nodigen wel uit tot verantwoord handelen en verkleinen de kans dat het misgaat.

Kortom: er is alle reden om door te gaan met samenwerken in Europa, maar op een andere manier: meer decentraal, meer vrijwillig en meer op basis van sterktes waarmee we elkaar aanvullen en van dienst zijn. En wel zo dat ook andere machtsconcentraties worden ingeperkt, zoals die van grote bedrijven.

Zo’n radicaal plan roept uiteraard tegenkrachten op, zeker vanuit de Europese Commissie en multinationals. Als hervorming binnen de Europese Unie op te veel weerstand stuit, is overstappen naar de Europese Vrijhandelsassociatie een alternatief. De brexitperikelen laten zien dat dit zorgvuldige doordenking en voorbereiding vereist. Dus eerst de alternatieven uitwerken, dan hiermee de boer op gaan en ervaring opdoen in proefprojecten (zoals het nu al succesvolle gebied van normalisatie) en daarna proberen brede steun te krijgen. Pas als dat binnen de EU niet lukt, kan samen met IJsland, Noorwegen en Zwitserland en eventuele andere landen een EVA-nieuwe-stijl worden uitgewerkt.

Dit plan leent zich niet voor simpele oneliners, maar biedt wel perspectief op een betere toekomst voor Europa en de wereld. Maar welke partij durft met zo’n verhaal de verkiezingen in te gaan?

De auteur is bijzonder hoogleraar Standardisation Management aan de Rotterdam School of Management, Erasmus University, en gasthoogleraar aan de Technische Universiteit Delft (faculteit Techniek, Bestuur en Management). Hij is tevens voorzitter van de European Academy for Standardisation EURAS. Hij schrijft dit artikel op persoonlijke titel.