Boerendag in Den Haag

beeld ANP, Sem van der Wal

Precies twee weken na Prinsjesdag was het dinsdag in Den Haag wéér ‘feest’: Boerendag. Inderdaad, Boer voor een keer met een hoofdletter. Want als er iets op deze gedenkwaardige 1 oktober duidelijk werd, is het wel dat Nederland achter zijn boeren staat. Politici van links tot rechts, sommigen tot hun schrik, kwamen er niet onderuit om dat toe te geven.

Met duizenden tegelijk trokken de agrariërs op naar het Malieveld. Volgens de organisatoren was het zelfs het grootste boerenprotest ooit in Nederland. De boeren namen hun tractoren –pardon: trekkers– mee. Veel meer trekkers dan waarop politiek en politie gerekend hadden. Lange optochten uit alle windstreken leidden tot verkeersoverlast. Het filerecord sneuvelde. Opvallend genoeg namen de ‘burgers’ het de boeren niet al te kwalijk. Vrachtwagenchauffeurs en automobilisten staken hun duim op. Op viaducten zwaaide het publiek de boeren toe. Ook op sociale media waren de steunbetuigingen verreweg in de meerderheid.

Op en rond het Malieveld, tot op het sprekerspodium toe, verdrongen politici zich om de boeren te overtuigen van hun steun. „Ik sta aan hun kant”, durfde Tjeerd de Groot (D66) voor de NOS-camera te beweren. Juist zijn ‘oplossing’ om Nederland uit het stikstofmoeras te trekken –halvering van de veestapel– was voor agrarisch Nederland de druppel die de emmer deed overlopen. De opgekropte onvrede over steeds strengere en haast onwerkbare regelgeving, brutale overvallen van dierenactivisten, denigrerende uitspraken van politici en betichting van milieuvervuiling kwam tot ontlading. Met het grootse protest als resultaat.

Dat de boer zijn bedrijf voor één dag achterlaat, geeft aan hoe diep hij geraakt is. „Hoe je ook je best doet, het is nooit goed genoeg”, verzuchtte iemand. Als boeren getergd worden, pas dan op. Dat was de les van de –veel grimmigere– akkerbouwacties van 1990.

„Ik ben geen activist, ik ben liever aan het werk”, zei een van de initiatiefnemers dinsdag. Boeren horen bij de laatste beroepsgroepen die nog zware lichamelijke arbeid verrichten. Dat vinden ze niet erg. Ze genieten van hun werk op het land, van de opkomst van de zon –hoeveel andere Nederlanders zouden zich daar nog over verwonderen?– en van de omgang met hun dieren. Daarin staat de boer nog dichtbij de schepping.

Boeren voorzien ons van een overmaat aan goedkoop voedsel van uitstekende kwaliteit. Ze doen dat onder zeer strenge milieu- en dierenwelzijnseisen en ze zijn bereid daarvoor te investeren. Terecht willen ze daarvoor kunnen rekenen op een consistent beleid van een overheid, die niet bij elke oprisping van de grachtengordel de boeren de duimschroeven verder aandraait. Consumenten moeten bereid zijn meer voor hun eten te betalen. Bovenal moet het respect voor de boer in media, onderwijs en politiek terugkeren. Het is de taak van de overheid om hierbij het voortouw te nemen. Vandaar de vraag wat er na het boerenprotest van alle mooie woorden beklijft. De toekomst zal het leren.