Column: Grote roze olifant in Kamer opzichtig vermeden bij debat burgerschap

„Door zijn collega’s werd Slob de volgende dag nog eens op z’n vestje gespuugd.” beeld ANP, Bart Maat

Dr. R. Bisschop

Wat een ongelooflijk beschamende vertoning werd dat vorige week maandag tijdens een overleg van de onderwijscommissie van de Tweede Kamer met onderwijsminister Slob. Wat een verbetenheid en fanatisme bij collega’s. Wat een schoolvoorbeeld van een slecht debat. Vanwege coronabesmetting kon ik er zelf helaas niet aan deelnemen, maar uiteraard heb ik het wel gevolgd.

Op de agenda stond het wetsvoorstel dat de burgerschapsvorming in het onderwijs beter moet regelen. Ofwel: wat moeten scholen doen om leerlingen tot goede staatsburgers op te voeden? Dat begint natuurlijk thuis. Onderwijs is ook opvoeding, dus dat scholen gedragsregels opstellen en handhaven, spreekt vanzelf. Zo zorg je voor een veilige sfeer, waarin elk kind zich kan ontwikkelen.

Daar komt bij dat afgelopen weken alle aanleiding gaven om deze burgerschapsopdracht grondig te bespreken. Omdat hij een spotprent van Mohammed in de klas had besproken, werd in Parijs een leraar door een islamitische extremist onthoofd. Een paar leraren in Nederland moesten wegens bedreiging onderduiken, eveneens vanwege spotprenten over de islam. Dan mag je verwachten dat Kamerleden deze weerzinwekkende feiten bij hun beoordeling van het wetsvoorstel betrekken. Die raken immers de kern van onze democratische rechtsstaat.

Maar in het debat ging het nauwelijks over dergelijke terreurpraktijken, hoewel scholieren daarin óók een aandeel hadden. En het ging zeker niet over het kernprobleem: dat er islamitische scholen zijn die, onder invloed van radicale elementen, leerlingen onvoldoende voorbereiden op een plaats in de samenleving en de democratische rechtsstaat van Nederland. Die grote roze olifant in de Kamer werd opzichtig vermeden.

Het debat ontaardde al snel in een actie ”beschadiging reformatorisch onderwijs”. Een verouderde identiteitsverklaring fungeerde als rode vlag. En toen minister Slob, staatsrechtelijk geheel terecht, verklaarde dat scholen op basis van de grondwettelijk verankerde vrijheid van onderwijs een homoseksuele levenspraktijk mogen afwijzen, waren de rapen helemaal gaar. Door zijn collega’s werd hij de volgende dag nog eens op z’n vestje gespuugd. Premier Rutte plantte tijdens een ander Kamerdebat nog eens een extra dolk in Slobs rug.

Onderzoeken die de Onderwijsinspectie de afgelopen jaren uitvoerde naar de manier waarop scholen invulling geven aan het kerndoel seksualiteit en seksuele diversiteit leverden geen munitie op om tegen reformatorische scholen te velde te trekken. In 2016 concludeerde de inspectie: „Al valt op dat scholen met een specifieke levensbeschouwelijke identiteit [lees: o.m. reformatorische scholen] over meer uitgewerkte visies beschikken dan andere scholen. Bij de invulling van het onderwijs rond seksuele diversiteit leggen ze het accent vaker op het bevorderen van een respectvolle opstelling ten opzichte van seksuele verscheidenheid of het tegengaan van vooroordelen.”

Ja, dat schoot voor de criticasters natuurlijk niet op. Dus eisten ze in 2019 opnieuw een onderzoek. Conclusie? „De inspectie stelt vast dat de sturing en borging van het burgerschapsonderwijs in het algemeen beperkt ontwikkeld is. Een uitzondering daarop vormen scholen met een specifieke levensbeschouwelijke identiteit (…). Voor scholen met een meer algemene identiteit is dat beduidend minder het geval. (…)”

Tja, ook dat hielp dus niet. Daarom dus maar een hetze. Hoef je je niet meer te bekommeren om waarheid of nuance. Ernstig, en buitengewoon laf dat het kabinet zich daarvoor laat lenen.

Hier is de vrijheid in het geding. Vrijheid van onderwijs is vrijheid van opvoeding. Blijven ouders verantwoordelijk of gaat de staat (lees: politieke meerderheid van dit moment) dat overnemen?

Als burgerschapsvorming op school meer invulling krijgt, zou ik overigens de opnames van het debat van vorige week maandag en de nasleep ervan daarin zeker een plaats geven. Om jongeren te leren hoe je níét met elkaar omgaat. En hoe een slecht debat over een wetsvoorstel eruitziet.

De auteur is lid van de SGP-Tweede Kamerfractie.