Aantal vacatures in reformatorisch onderwijs blijft groot

P.W. Moens. beeld Martine Sprangers
3

Het grote aantal vacatures in het reformatorisch onderwijs is zorgelijk. Als er niets verandert, bestaat er binnen vijf jaar „een ernstig probleem.” Twee reformatorische dienstverlenende organisaties op het gebied van het onderwijs laten zich uit over de bestaande en te verwachten vacatures.

Op het moment dat dit artikel geschreven wordt, staan er op de vacaturesite van deze krant in totaal 38 vacatures in het onderwijs. Het is niet gezegd dat voor de zomervakantie alle banen vervuld zijn.

Een snelle blik leert dat de vacatures zich over de hele Biblebelt voordoen. Dat wordt bevestigd door P. W. Moens, bestuurder bij de Vereniging voor Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) te Ridderkerk, een organisatie die diensten verleent aan circa 160 scholen voor reformatorisch onderwijs. „Het vacatureprobleem speelt overal in Nederland en op alle typen scholen. Het geldt voor zowel fulltime als parttime leerkrachten, en ook voor personeel van de vervangingspools. Het moeilijkst lijkt het om de vacatures voor de bovenbouw van het basisonderwijs vervuld te krijgen.”

Het gaat volgens Moens om een structureel probleem doordat er een vrij hoge uitstroom en een vrij lage instroom is. Hij noemt het gelukkig dat de gemiddelde leeftijd van de groepskrachten in het basisonderwijs tamelijk laag is. Moens wil het woord „dramatisch” niet in de mond nemen, maar is wel van mening dat er sprake is van continue zorg.

Ernstig probleem

Drs. R. A. van der Garde, bestuurder van KOC Diensten te Veenendaal –voor veertig scholen in het reformatorisch onderwijs– merkt op dat het aantal onvervulde vacatures toeneemt. Invallen bij ziekte is volgens hem een voortdurend probleem, omdat er onvoldoende invallers zijn, terwijl er steeds vaker duale studenten voor de klas gezet worden. De bestuurder verwacht binnen vijf jaar „een ernstig probleem als het zo doorgaat. Een eenvoudig rekensommetje over instroom en uitstroom leert dat het zo niet goed gaat.”

Op dit moment kunnen de scholen die gebruikmaken van de dienstverlening van KOC Diensten zich nog redden, zegt Van der Garde. „Er is een leerkrachtentekort, maar dat wordt gelukkig nog steeds opgelost. Het onderwijs heeft voortgang. Er behoeven geen klassen naar huis te worden gestuurd.”

Directeuren

Het is ook moeilijk om directeuren in het basisonderwijs te vinden. Bij de scholen die aangesloten zijn bij KOC Diensten zijn de vacatures voor directeur vervuld, ook op de Rehobothschool in Uddel en de Eben-Haëzerschool in Rhenen. Onder de VGS-scholen zijn er echter nog zes zonder directeur.

Moens wijst erop dat het directiewerk in de achterliggende jaren sterk is veranderd. „Vroeger combineerde een schoolleider het directeurschap met het geven van onderwijs. Dat kan tegenwoordig niet meer. Het beroep is veel intensiever en veelzijdiger geworden, ook door de toegenomen contacten met ouders en overheid. Scholen krijgen veel meer te maken met maatschappelijke problemen, zoals echtscheiding en moeilijke opvoedingssituaties, terwijl ze niet altijd weten hoe ze daarmee moeten omgaan. Dat raakt de directeur direct.”

Een onderwijskundige bevoegdheid is voor directeuren niet verplicht. Moens: „Er zijn mooie voorbeelden van zijinstromers die een school goed weten te runnen en daarbij ook onderwijskundig leiderschap blijken te bezitten. Anderen concentreren zich op het management en laten de gang van zaken in het onderwijs over aan mensen in het managementteam die onderwijskwaliteiten hebben. Dat is ook een prima oplossing.”

Start als locatiedirecteur

De VGS ondersteunt directeuren, niet alleen door administratieve taken te verrichten, maar ook door het organiseren van bijeenkomsten voor hen en het overleggen met bestuurders en schoolleiding. De organisatie neemt met nieuwe directeuren zo snel mogelijk contact op. „We hebben korte lijnen met de scholen.”

Van der Garde wijst erop dat kandidaten voor de directeursfunctie die nog geen dertig jaar zijn een mooie start kunnen maken als locatiedirecteur, waarbij ze onder leiding staan van een bovenschools directeur. Er is een coöperatie van zeven VBSO-scholen in Zuidwest-Nederland waar een bovenschools directeur en zeven locatieleiders samen de verantwoordelijkheid dragen. „De locatieleiders hebben hier de kans om op betrekkelijk jonge leeftijd ervaring op te doen in het leidinggeven aan een school, terwijl ze toch niet de eindverantwoordelijkheid hebben. Dit is met name voor jongere kandidaten aantrekkelijk. In de praktijk blijkt dat er zo op een verantwoorde manier kan worden voorzien in vacatures. Bovendien levert dat na verloop van tijd ervaren directeuren op die meer verantwoordelijkheid kunnen dragen.”

Voortgezet onderwijs

Moens vergadert één keer per twee maanden met de bestuurders van de zeven scholen voor reformatorisch voortgezet onderwijs. „Ook daar is sprake van een tekort. Voor vakken als wis- en natuurkunde en enkele vreemde talen bestaat zelfs een nijpend tekort aan docenten. Soms vallen er lessen uit.”

Hij haast zich om erbij te zeggen dat het niet betekent dat scholieren hele middagen door de stad zwerven. „Als er een uur vervalt, wordt dat doorgaans op een andere wijze ingevuld.”

En dan ben je leraar

Een positieve ontwikkeling vindt de bestuurder de samenwerking in de gezindte om het beroep aantrekkelijker te maken. Beide organisaties zijn aangesloten bij ”En dan ben je leraar”. Dat is een uitvloeisel van een enquête die in 2016 werd gehouden over het lerarentekort in het voortgezet onderwijs. Op de site met die naam wordt het geïnteresseerden gemakkelijk gemaakt om contact op te nemen en op een laagdrempelige manier informatie te krijgen over een baan in het reformatorisch basis- en voort- gezet onderwijs.

Een mooie actie was volgens Moens ”Uurtje voor de klas”. Scholieren en zijinstromers konden in maart op ongeveer honderd scholen een dag meelopen en zelf een uurtje lesgeven. Dat bleek een succes. Er kwamen ongeveer 200 aanmeldingen voor binnen.

Acties

Beide bestuurders zijn het erover eens dat er meer moet gebeuren: een beroep in het onderwijs moet aantrekkelijker worden. De beeldvorming van het onderwijs heeft volgens Moens veel te lijden gehad door de acties van de afgelopen tijd voor betere salariëring en vermindering van de werkdruk. „Daardoor is het beeld alleen maar negatiever geworden. De feiten die als aanleiding genoemd werden, zijn niet geheel onjuist, maar door de wijze waarop de problemen werden gepresenteerd, vraag je je af: wie wil er nog in het onderwijs werken?” Ook vindt Moens de maatschappelijke druk op het onderwijs te groot. „De overheid legt te veel thema’s bij de scholen.”

Van der Garde beaamt dat werken in het onderwijs zwaar kan zijn, maar tegelijkertijd wijst hij erop dat er ook vooroordelen leven, bijvoorbeeld over de salarissen en de arbeidsvoorwaarden. Hij noemt het belangrijk dat de overheid investeert in het onderwijs.

Mooi beroep

De bestuurder van KOC Diensten heeft zelf een aantal jaren voor de klas gestaan en vindt het een „mooi beroep. Luther noemde het een ambt. Het heeft meerwaarde ten opzichte van andere beroepen. Je krijgt veel terug voor je inspanning: de toegenegenheid en de spontane reacties van de kinderen. Je kunt met hen een relatie opbouwen. Hierdoor kan het werk veel vreugde geven.”

Het belangrijkst vindt hij dat het in het onderwijs gaat om het heil van zielen. „Kinderen krijgen onderwijs uit de Bijbel en dat werkt in alle vakken door. Het gaat om zielen die op weg en reis zijn naar de eeuwigheid. Willen jongeren dat ook overwegen bij het kiezen van een beroep?”

Moens is het daar helemaal mee eens. „Reformatorische jongeren kiezen te gemakkelijk voor een beroep waarin ze misschien meer kunnen verdienen. Ik hoop dat ouders het er met hun kinderen over hebben of een beroep in het onderwijs iets voor hen is. Die vraag kan ook tijdens het huisbezoek aan de orde komen. Werken in het Koninkrijk van de Heere is toch het mooiste wat er is?”