Zwitserland verdedigd met valse chalets

Villa Verte bij Gland, aan het Meer van Genève. beeld Erik Laaken
5

Een idyllisch bergdorp in een fraai Zwitsers landschap. Zacht klingelende koeienbellen op alpenweiden. Maar veel van die chalets, boerderijen en schuren dienden in de Tweede Wereldoorlog militaire doeleinden. En ook later nog, tijdens de dreiging van de Koude Oorlog. Nu zijn veel van deze gebouwen toeristische trekpleisters.

Tijdens een wandeling door de Zwitserse bergen stuitte fotograaf Christian Schwager op een vreemde boerenschuur waarin geen landbouwwerktuigen waren ondergebracht, maar wel een fors kanon. Tussen metersdikke betonnen wanden. „Toen ik navraag deed, bleek er in vijf andere schuren ook afweergeschut te staan. Dat fascineerde me. Ik ging verder op zoek en ontdekte heel verschillende stukken geschut. Allemaal in perfect gecamoufleerde bunkers, fraai ingebed in het landschap.” In de oorlogsjaren zijn er maar liefst 26.000 van dergelijke bunkers gebouwd. „Veel ervan waren zelfs voor de Zwitsers onbekend”, merkte de fotograaf op. Inmiddels heeft hij de interessantste gefotografeerd en gebundeld in zijn boek ”False Chalets”.

In het dorp Gland, bij het Meer van Genève, zag Schwager een op het eerste gezicht typisch Zwitsers chalet in een boomgaard. Een mestvork tegen de muur en een oude Belarustractor accentueerden de gemoedelijke sfeer. Dichterbij bleken de vensters en de gordijnen er slechts opgeschilderd. Toen een forse groene deur onder de geschilderde raampartij werd opengeschoven keek hij opnieuw in de dreigende loop van een kanon. Tot voor kort was deze, in 1940 gebouwde artilleriebunker, vermomd als chalet; een militair staatsgeheim. Nu is het een museum.

Decorontwerp op beton

Als mooiste voorbeeld van architectonische camouflage en misleiding vond Schwager een rustieke houten chalet in Hilterfingen, fraai gelegen aan de Thunersee met prachtig uitzicht op de besneeuwde bergtoppen van de Alpen. Het overhangende dak, de houten gevelbekleding op de bovenverdieping, de groen geschilderde luiken en witte gordijnen blijken echter een en al misleiding. Een perfect decorontwerp op beton: bijna alles is erop geverfd. Een artilleriebunker als een geslaagd driedimensionaal schilderij. Als de wand met beschilderde ramen beneden wordt geopend, komt ook hier de loop van een kanon tevoorschijn. In het chalet met 2 twee meter dikke betonnen wanden heerst een behoorlijk constante temperatuur. Daarom gebruikt een wijnhandelaar de ruimte nu om er zijn wijnvoorraad op te slaan. In andere ”valse” chalets worden champignons geteeld.

Ook het boerendorp Faulensee, aan de zuidzijde van de Thunersee herbergt slagvaardige artilleriestellingen. Vier onopvallende schuurtjes ontpoppen zich bij nader inzien als goed gecamoufleerde bunkers. Het complex, dat in 1943 operationeel werd, heeft sinds eind 1993 geen militaire betekenis meer en werd opengesteld voor geïnteresseerd publiek. In de oorlog wisten maar weinig dorpsbewoners af van het ware karakter van deze schuren. Maar Jürg Schmid, voormalige bunkertechnicus, kan er alles van vertellen: „In deze schuren zijn vier artilleriestellingen opgesteld, onderling verbonden via 160 meter lange onderaardse gangen.” Trots wijst Schmid op een houten raam om te laten zien hoe goed de camouflage nog steeds is. „Dit raampje is laatst ingeslagen bij een de inbraakpoging. Toen stuitte de inbreker op een dikke betonnen muur!” De toiletdeur met leuk uitgesneden hartje blijkt ook nep: erachter weer een betonnen wand, met een ontluchtingsopening voor de ondergrondse bunkerruimte.

Operationeel

Regelmatig leidt Jürg Schmid bezoekers door het bunkercomplex. Langs ijzeren ladders dalen ze af in de krochten van de bunker en door smalle ondergrondse tunnels lopen ze naar de andere bunkers. Het geschut is nog operationeel. „Zes schoten per minuut kan dit 10,5 centimeterkanon afvuren. Niet meer, anders wordt de loop te heet.”

Vooraf moesten de kanonnen nauwkeurig op hun doel worden afgestemd. Het berekenen waar de explosieven terecht zouden komen was een ingewikkelde klus van passen en meten in het vuurleidingcontrolecentrum. In dit ”hart van het complex” zijn de nodige instrumenten en terreinkaarten nog steeds te zien. Een oranje kaart geeft de vuursector weer waarin doelwitten kunnen worden geraakt, tot een afstand van 21 kilometer. Schmid wijst op een militaire landkaart van Zwitserland. „Volgens vastgesteld plan moest het leger zich in geval van Duitse overmacht terug kunnen trekken in het Alpengebied, waar het zijn strategische bergpassen kon beschermen.”

„Gelukkig heeft Duitsland nooit geprobeerd om ook Zwitserland te bezetten. Vanuit geen van de goed gecamoufleerde bunkers hoefde ooit een schot te worden gelost.” Maar het gevaar bleef. Vooral in de periode van de Koude Oorlog, waarin Rusland en Amerika elkaar bedreigden met een atoomaanval. Massaal werden er atoombombestendige bunkers bijgebouwd, genoeg om de gehele Zwitserse bevolking veilig onder te kunnen brengen. Maar toen eind jaren tachtig ook deze oorlogsdreiging wegviel, hadden de geheime militaire installaties geen functie meer. En pasten ze ook niet meer in de veranderde wijze van oorlogvoeren.

De gecamoufleerde artilleriebunkers waren te duur om te onderhouden en werden geleidelijk ontmanteld en indien mogelijk verkocht aan particulieren voor civiel gebruik. Alleen representatieve exemplaren zijn geconserveerd om de herinnering levend te houden.

Walcherse oorlogscamouflage

Ook Nederland kende gecamoufleerde bunkers. Voorzien van beschilderde deuren en ramen met gordijnen. Zo werd op de betonnen bunker aan de Abeelseweg bij Middelburg een dak als van een boerenschuur getimmerd en werd het bouwwerk voorzien van ramen en deuren om het een echte Zeeuwse schuur te laten lijken. De bunker is onlangs in oude toestand teruggebracht en als enige in zijn soort in Nederland te bewonderen.

Verder is het ”Stützpunkt Groede” nabij het Zeeuws-Vlaamse dorp Groede het vermelden waard. Vanwege zijn neutrale status –vanuit de lucht herkenbaar aan het rode kruis op de witte kerktorenspits– bleef het dorp grotendeels gespaard voor verwoestende bombardementen. Schilders hadden de bunkers bij Groede ook voorzien van nepramen en -deuren. Zelfs geschilderde bloemetjes en gordijnen ontbraken niet. Bunkerspecialist Hans Sakkers: „Dat het idee van gecamoufleerde bunkers werkte, bleek wel toen de Canadezen in 1944 Zeeland bevrijdden en hier, zonder dat ze het wisten, op een bunkercomplex stuitten. Zij dachten dat ze een gehucht binnentrokken. Maar eenmaal in het dorpscentrum merkten de bevrijders dat ze tussen vijandelijke bunkers waren beland. Gelukkig kwamen de Duitsers met een witte vlag naar buiten en niet met wapens.”

Zwitserse oorlogstactiek

Het Congres van Wenen in 1815 erkende de neutraliteit van Zwitserland, dat sindsdien niet meer betrokken raakte bij een oorlog. Desondanks werd het Alpenland aan het begin van de Tweede Wereldoorlog hevig bedreigd. Na de snelle verovering van Frankrijk door de Duitse Wehrmacht en de toetreding van Italië tot de oorlog werd de Alpenrepubliek omringd door vijandelijke mogendheden.

De Duitsers ontwikkelden toen het aanvalsplan ”Unternehmen Tannenbaum”, een blitzkrieg tegen Zwitserland. Belangrijke strategische posities, zoals de Gotthardtunnel, moesten ongeschonden in Duitse handen vallen. Toch zag de Duitse legerleiding af van een aanval: er werd gerekend op fel verzet in de Alpen. Dat zou de Zwitsers gelegenheid geven om bruggen en tunnels op te blazen. Maar ook was de beschikbaarheid van de Luftwaffe afgenomen, vanwege de strijd tegen Groot-Brittannië.

Weinig krachtdadig

Aanvankelijk trad de Zwitserse overheid weinig krachtdadig op. Tot Henri Guisan in 1939 opperbevelhebber werd. Hij was vastberaden om het land tot het uiterste te verdedigen. Op 25 juli 1940 zette Guisan zijn strategie uiteen op de Rütliweide, waar ooit het Zwitserse Eedgenootschap werd gesmeed. Guisan verklaarde dat Zwitserland zich nooit zou overgeven bij een aanval van nazi-Duitsland en ontvouwde zijn reddingsplan. Als Duitsland aanviel, moest de krijgsmacht zich terugtrekken (in het Frans: ”reduire”) in de Zwitserse Alpen. Dat gebied was beter te verdedigen dan de omliggende lagere gebieden.

Daarom moest in de Alpen een netwerk van verdedigingswerken, forten en schuilplaatsen worden gebouwd. Tegen elke prijs moest worden voorkomen dat de Duitsers belangrijke bergpassen en spoortunnels door de Alpen in handen kregen. Vanuit de bergen, die een natuurlijke vesting vormden, zou men via een guerrillatactiek de vijand kunnen bestrijden.

Experts zijn het er nog steeds niet over eens of Hitler deze tactiek doorzag en daarom afzag van een aanval op Zwitserland.