Preken tegen slavernij en slavenhandel

Udemans. Beeld RD RD

Cham. Die naam werd vaak genoemd als christelijke Europeanen de slavenhandel probeerden te rechtvaardigen. Ook predikanten namen niet altijd een ondubbelzinnig standpunt in. Uiteindelijk was het mede aan pleidooien vanuit kerkelijke kring te danken dat de mensonterende praktijken werden afgeschaft.

Veel slaven werden van Afrika naar Amerika verhandeld. In 1728 kwam een van hen echter naar Nederland: een elfjarige jongen, Capitein, genoemd naar de kapitein van wie zijn eigenaar hem kreeg. Deze zwarte jongeman, afkomstig van de Goudkust, werd predikant. Ondanks zijn afkomst verdedigde Jacobus Joannes Eliza Capitein in zijn oratie op 10 maart 1742 de ”Slaverny.” Hij vond de slavenhandel niet strijdig met de christelijke vrijheid: geestelijke vrijheid kan samengaan met lichamelijke onvrijheid.

Vol idealen keerde hij nog in datzelfde jaar terug naar zijn geboortegrond: „Mij, die een blinde Heyde! een arme slaave was, laat de Heere nu uitsenden in dien grooten ruymen en ryken oogst der Mooren om mynen broederen Christus Jezus aan te bieden.” Maar zijn blanke collega’s keken op hem neer en zijn volksgenoten zagen hem als een verrader. Nauwelijks dertig was ds. Capitein toen hij op raadselachtige wijze stierf.

De slavenhandel was door velen geaccepteerd, en dat heeft kennelijk zelfs deze ex-slaaf beïnvloed. Gepensioneerde kapiteins van slavenschepen waren gerespecteerde burgers. Slavernij werd nogal eens gezien als een middel om heidenen met het Evangelie in aanraking te brengen. Daar kwam echter weinig van terecht. Anderen wezen op slavernij als mogelijkheid om mensen tijdens een oorlog in leven te laten die anders zouden worden gedood.

Discussie

Over de uitspraken van de Nederlandse predikanten over de slavenhandel is veel gediscussieerd. Brakel, de Teellincks, Smijtegelt, Poudroyen, De Raad en Voetius zijn genoemd als predikanten die de slavenhandel afwezen, en Jacobus Hondius nam deze mensendiefstal op in zijn ”Swart Register van duysent Sonden”.

Classisvergaderingen in Amsterdam en op Walcheren schreven in 1628 al dat het „niet christelyck was lyffeygene te hebben.” De Middelburgse pastor Smijtegelt noemde het „grove dieverij” om een mens te stelen. „Dat soort van dieverij wordt begaan in den slavenhandel; die enen mens steelt, zegt God, zal zekerlijk gedood worden. Ex. 21:16. Is dat niet droevig, daar hebben de Christenen een negotie van gemaakt. Ach! mochten die menschen die zoo verkogt, vervoert, en dikwils daarom vermoort worden, eens spreken; zouden ze niet zeggen, als eertyds Joseph: ik ben dieffelyk ontstoolen uit myn land?”

Ook Justus Vermeer verwees naar Exodus 21:16, toen hij schreef over „den onbehoorlijken slavenhandel, in vreemde landen; als men daar mensen (met ons uit enen bloede) als beesten drijft, koopt en verkoopt, daarover de ongunste Gods zeer te vrezen is.”

Poudroyen vond „dat het den christenen niet en betaemt haer in desen rouwen, onsekeren, verwarden, periculeusen ende onbillicken handel te steken, ende daerdoor yemant sijn quaet vermeerderen ende executeur te zijn van yemants quellinge ende ellende.”

Kritiek op Udemans

Udemans stelde in ”’t Geestelyck roer van ’t coopmans schip” (1638) –handboek voor de christen-koopman-zeevaarder– dat slaven mochten weglopen. Hij noemde de mogelijkheid om slaven na een bepaalde tijd vrij te laten: zeven jaar nadat ze zich tot het christelijk geloof hadden bekeerd. Tegenover historici die er de vinger bij legden dat Udemans de slavenhandel niet ondubbelzinnig afwees, stelde dr. L. J. Joosse dat de Zierikzeese predikant „vanuit de Bijbel trefzeker kooplieden tot een negatieve koers” tegenover deze handel wilde brengen, „al accepteerde hij volkenrechtelijk kortstondig uitzonderingen van slavernij.”

Andere predikanten –„coccejaans gekleurde kerkleiders” (Joosse)– rechtvaardigden de slavenhandel wel, onder meer met Chams vervloeking als argumentatie. Voetiaanse predikanten lieten het tegenovergestelde geluid horen, maar het ontbrak aan politieke of juridische actie. De slavenhandel bleef nog lang bestaan.

Kerkslaven

Tot de jaren 1820 was de trans-Atlantische stroom van Afrikaanse slaven ten minste viermaal groter dan de totale stroom van blanke emigranten naar Amerika. De Rooms-Katholieke Kerk nam eeuwenlang deel aan de slavernij. Deze kerk hield op grote schaal negerslaven op suikerplantages en als huisslaven. Dat gebeurde niet alleen in Zuid-Amerika, maar ook in Azië en Afrika. Het Vaticaan bood later ook maar minimaal steun aan het abolitionisme, de pogingen om de slavernij af te schaffen.

Die pogingen kwamen onder meer voort uit protestantse groepen in Amerika en Engeland: de quakers in het midden van de achttiende eeuw, de baptisten en methodisten niet lang daarna. Het was een van de thema’s waarmee ze zich afzetten tegen gevestigde kerken zoals de anglicaanse Church of England.

Anderen sloten zich bij de antislavernijbeweging aan. De christelijke inslag bleek uit de vele tekeningen die werden vervaardigd van geknielde zwarten die met gevouwen handen en de ogen ten hemel geslagen om vrijheid en een menswaardige behandeling smeekten.

John Newton (1725-1807), een tot bekering gekomen slavenhandelaar die predikant werd, had invloed op William Wilberforce (1759-1833), die als parlementariër een van de leiders van de antislavernijbeweging werd.

Reveil

In Nederland werd het verzet tegen de slavernij sterk door Engeland beïnvloed. Dat land zette Nederland onder druk om de slavenhandel te stoppen. Daarmee was de slavernij in de Nederlandse koloniën echter nog niet afgeschaft.

De Utrechtse hoogleraar J. J. G. Jansen heeft erop gewezen dat er slechts één cultuur is geweest die de slavernij afschafte: de christelijke. De verlichting heeft daaraan volgens hem geen bijdrage geleverd.

De mannen van het vroege Reveil waren aanvankelijk echter beducht voor het abolitionisme. In zijn ”Bezwaren tegen den geest der eeuw” (1823) duidde Isaäc da Costa de beweging nog als een gevaarlijk symptoom van de tijdgeest. Hij hekelde het feit dat medelijden met de slaven gepaard ging met „gevoelloosheid voor de geestelijke nood van de halve wereld”, geestelijke slavernij onder „liberale dwingelanden.” Willem Bilderdijk was dezelfde mening toegedaan.

Da Costa vond dat slavernij in de Bijbel niet werd veroordeeld. Van dat standpunt kwam hij echter terug. Wat bekend werd van de wreedheden en misstanden op de slavenplantages, was niet met christelijke uitgangspunten te verenigen. Da Costa was onder de indruk van het vlammende betoog tegen de slavernij dat Elizabeth Fry, overgekomen uit Engeland, begin 1840 hield op Reveilbijeenkomsten in Den Haag en Amsterdam: „Wij zagen en hoorden haar. Zulke kennismakingen zijn époques in het leven.”

Drie petities

Fry pleitte voor de oprichting van een landelijke antislavernijvereniging. Vooral mr. G. Groen van Prinsterer zette zich ervoor in om de bestaande comités te bundelen. Hij probeerde wel te bewerkstelligen dat de Nederlandsche Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij (NMBAS) een protestants-christelijke grondslag kreeg. In de statuten die hij opstelde, stond dat iedere vergadering met gebed zou worden geopend. De liberalen liepen dan ook boos weg.

Het gevolg was dat koning Willem II drie verschillende petities tegen slavernij ontving: één ondertekend door 56 Reveilmannen –onder wie Groen van Prinsterer en Da Costa–, een van 125 liberalen en de derde was afkomstig van 128 Rotterdamse vrouwen met voornamelijk Engelse achternamen.

De koning wees de adressen in 1842 af. Hij onthield ook zijn goedkeuring aan de statuten van de antislavernijvereniging die vanuit het Reveil was opgericht. De regering vond dat de slavernij op termijn wel zou moeten worden afgeschaft, maar dit moest geleidelijk verlopen. De actievoerders legden zich er voorlopig bij neer. Het thema werd soms door andere strijdpunten naar de achtergrond gedrongen.

Zwarten hebben harten

De antislavernijgevoelens werden door ds. N. Beets in een gedicht verwoord:

Och Neêrlands machtigen en braven!
Verbreekt ons juk;
Brengt, brengt uwe arme negerslaven
Toch eindlijk, eindlijk uit den druk.
Wij zijn wel zwarten,
Maar hebben harten,
Zoo goed als gij.
En zoo uw harten beter zijn,
Verlost dan de onzen van de pijn!
Veel lijden wij.

Voor de Reveilvrienden leidde de actie tegen de slavernij overigens tot blijvende samenwerking tussen gelijkgezinden in verschillende steden. Zo schreef J. W. Gefken in 1842 aan H. J. Koenen: „Wat ook van de Zaak worde, gij zult het met mij verblijdend vinden, dat hier vereeniging en verlangen om vereenigd te werken onder de broeders ontstaat.”

Nadat Gefken in 1851 tevergeefs de slavernij ter sprake had gebracht, stelde hij op 6 april 1853 tijdens de zestiende bijeenkomst van de Christelijke Vrienden met succes voor om de in 1842 opgerichte maatschappij die de slavernij wilde afschaffen (NMBAS) te revitaliseren. De overgebleven bestuursleden, Groen van Prinsterer, Elout van Soeterwoude en Gefken, stuurden een circulaire rond en op 25 juli 1853 had een eerste vergadering plaats. Daar werden de statuten uit 1842 ongewijzigd overgenomen.

Uitstel

De maatschappij streefde haar doelstellingen na door de uitgave van een blad, het indienen van adressen (petities) bij koning en parlement en het vrijkopen van slaven in Suriname. De leden van de beweging die in de Tweede Kamer zaten, lieten daar van zich horen.

Nog in datzelfde jaar 1853 werd er een staatscommissie ingesteld die over het slavernijbeleid moest adviseren. Groen van Prinsterer verliet de commissie overigens binnen een jaar, omdat hij van haar omslachtige werkwijze een onaanvaardbaar lang uitstel van de slavenemancipatie verwachtte.

Dat uitstel kwam er toch, als gevolg van de verdeeldheid binnen de politiek en de verflauwende belangstelling van het publiek voor het onderwerp. Net als in Engeland stonden liberalen en orthodoxe christenen met hun streven naar afschaffing van de slavernij tegenover conservatieve politici, al lagen de tegenstellingen in Nederland minder scherp.

De planters in Suriname betoogden in anonieme pamfletten dat emancipatie niet alleen de koloniën zou bedreigen. Door het verlies van de koloniale handel waarop ieders welvaart gebaseerd was, zou het voortbestaan van het moederland zelf groot gevaar lopen.

Uiteindelijk schafte Nederland de slavernij in 1863 toch af. Dat gebeurde in hetzelfde jaar als in Verenigde Staten, maar pas 68 jaar na Denemarken, 30 jaar na Engeland en 15 jaar na Frankrijk.

De NMBAS had zich in 1862 al opgeheven. De leden kregen het verzoek voortaan de Maatschappij tot bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere heidensche bevolking in de kolonie Suriname te steunen.


serie Vrij van slavernij

Op 1 juli is het 150 jaar geleden dat de slavernij in Suriname en de Nederlandse Antillen werd afgeschaft. In een zevendelige serie aandacht voor dit feit. Vandaag deel 5.