Kleine geschiedenis van de vakantie

Beeld ANP ANP

Het grote reisseizoen staat weer voor de deur. De halve inboedel gaat in koffers, het dak van de auto op en rijden maar. In het oude Egypte maakte de gegoede stand al tripjes, maar voor de meeste Nederlanders was een dagje weg in 1950 nog een grootse gebeurtenis.

Toen jeugdvereniging Ora et Labora uit Veenendaal in 1953 voor een paar dagen naar Dinant in België trok, was half Veenendaal in rep en roer. De jongeren van de Hoofdstraatkerk waren maar één nacht van huis, maar ze werden na afloop onthaald alsof ze de wereldzeeën hadden bevaren. Het gedenkboek van de kerk (de latere christelijke gereformeerde Pniëlkerk) spreekt van „een groot succes.”

Het was de tijd dat ook ‘simpele’ dagjes uit nog een gebeurtenis waren. Het jaarlijkse uitje van de ‘ouden van dagen’ van het dorp bracht de hele gemeenschap op de been. Auto’s werden gepoetst, broodjes gesmeerd en iedereen stond vanaf de stoep de ouderen uit te zwaaien. Die vertrokken vervolgens naar een uitspanning, een paar kilometer verderop.

Van de massale vakantie-uittocht zoals we die nu kennen, was toen nog geen sprake. Laat staan dat de dorpelingen van de jaren vijftig zich iets konden voorstellen bij een term als ”vakantiestress”: de stress die ontstaat omdat we weg móéten (maar waar moet de kat heen en wat doen we met oma?). Vakantiedagen waren in de jaren vijftig nog helemaal geen recht: dat is het in Nederland pas sinds 1966.

Honderd jaar geleden zou een werknemer nog vol ongeloof zijn hoofd hebben geschud bij alleen al de gedachte aan betaald verlof. Een dagje vrij was al heel wat, onbetaald uiteraard. Vakantietripjes waren enkel weggelegd voor de elite.

Interessant is dat veel Nederlanders hun eerste vakantiedagen te danken hebben aan de Duitse bezetters. In 1941 kregen ze voor het eerst recht op zes dagen vakantie per jaar, vastgelegd in hun cao. Soms zat daar ook al vakantiegeld aan vast.

In Duitsland legden veel werknemers toen al twaalf dagen per jaar de benen op tafel. Ze kenden daar in die tijd volgens historici ook al zoiets als massatoerisme. Het Derde Rijk stimuleerde vrije tijd voor de gehele bevolking. Adolf Hitler zag recreatieve activiteiten onder meer als geschikt middel om het nationaalsocialistische gedachtegoed te verspreiden.

Massatoerisme

In Nederland kwam het massatoerisme pas in de jaren zeventig goed op gang. Eerst, tussen 1970 en 1973, gingen de pioniers op pad, zo beschrijft toerismedeskundige Ton van Egmond in zijn boek ”Het verschijnsel toerisme”. Na de avonturiers kwamen de volgers en toen duurde het niet lang meer of de thuisblijvers werden met meewarige blik gadegeslagen.

Nederlanders togen en masse naar landen als Frankrijk en naar de Spaanse kusten. Aan de costa’s verrezen immense appartementencomplexen: eerst in Spanje, later in de Algarve en nog weer later in Turkije.

In de jaren negentig volgden bestemmingen die nog verder van huis lagen: Cyprus, Tunesië, Israël. En nog verder ging het: naar Bali, de Dominicaanse Republiek, Florida. Inmiddels is er geen uithoek op aarde meer te vinden of er doemt een Nederlander in hawaïshirt naast je op. Als dat geen massatoerisme meer is.

Nederlanders staan te boek als een reislustig volkje, maar de eerste aanbieder van complete, ”all inclusive” vakanties, moeten we aan de overkant van de plas zoeken. In 1841 organiseerde de Brit Thomas Cook voor het eerst een geheel verzorgde treinreis voor conferentiegangers van Loughborough naar Leicester. Dit beviel hem zo goed, dat hij treinreizen naar de kust ging aanbieden. Nog weer later volgden bestemmingen buiten Engeland.

Cook maakte het reizen met zijn organisatie toegankelijker én financieel mogelijk voor de middenklasse. ”Met hem werd reizen gemakkelijker”, staat er op een gedenkplaat op het geboortehuis van Cook in Melbourne, Midden-Engeland. Uiteraard droeg ook de komst van de trein in belangrijke mate bij aan het gemak weermee er werd gereisd.

Opmerkelijk is dat een Duitse schrijver in 1877 al sprak van massatoerisme. Theodor Fontane tekende in dat jaar op dat massareizen „tot de merkwaardigheden van onze tijd behoren.” Fontane: „Ooit reisden enkel bevoorrechte individuen, tegenwoordig reist alles en iedereen. De hele wereld reist... De moderne mens, gespannener als hij wordt, heeft ook meer ontspanning nodig.”

Het kan verkeren. Fontane zou niet weten wat hij meemaakte als hij op een warme zomerzaterdag in juli de Nederlandse snelwegen richting het zuiden zou bezien.

Grote Reis

Ver, ver voor het massatoerisme en de reisjes van Cook reisde de elite al de aarde rond. Zo maakte in het oude Egypte de gegoede stand rond 1500 voor Christus tripjes naar de Sfinx en de piramides van Gizeh, die toen al duizend jaar oud waren. En in het oude Griekenland reisden welgestelde burgers naar de Olympische Spelen en andere belangrijke (sport)-evenementen.

Het Romeinse Rijk bood uitstekende mogelijkheden voor de vroege toerist. Rond 300 na Christus bestond er al een netwerk van 90.000 kilometer aan doorgaande wegen. Daarnaast konden reislustige types zich nog verplaatsen over 200.000 kilometer aan kleinere wegen. Er moeten in de tijd van het keizerrijk (27 voor Christus-395 na Christus) al ‘touroperators’ geweest zijn die georganiseerde reizen aanboden voor individuen en groepen.

In de zestiende en zeventiende eeuw floreerde in Europa het fenomeen van de ”Grote Reis”: jonge mensen van adel trokken ter onderwijzing naar cultuurhistorisch belangrijke plaatsen. In de loop van de tijd wonnen ontspannende elementen op die reizen aan belang en gingen ze steeds meer op toeristische trips lijken. De gegoede middenklasse volgde de adel in de 19e eeuw met ”Bildungsreisen”.

En toen begon dus de voorzichtige emancipatie van de reiziger. Het eerste Nederlandse reisbureau kwam er in 1877: Jac Lissone. Lissone bood reizen aan naar Engeland (Wright) en Jeruzalem – per boot. In 1927 werd de eerste jeugdherberg geopend. Nederland maakte zich langzaam klaar voor de komst van wettelijk vastgelegde vrije dagen.