Ds. J. Holtslag over de lijdenstijd

Lijdenstijd, stille week en Pasen
Ds. J. Holtslag uit Giessenburg preekt sinds 1994. „Ik heb niet het idee dat ik de afgelopen jaren alle lijdensstof al bepreekt heb.” Foto RD, Anton Dommerholt Anton Dommerholt

Het lijdensevangelie is ieder jaar weer nieuw en verrassend, voor Bijbellezer en gemeente. Hoe zorgt een predikant ervoor dat hij fris en verrassend blijft, zeven lijdensweken lang? Deel 5 in een serie korte vraaggesprekken met zeven predikanten. Vandaag: ds. J. Holtslag, hervormd predikant te Giessen-Nieuwkerk.

Hoe vaak hebt u over het lijden van de Heere Jezus gepreekt?

„De eerste preek in de lijdenstijd hield ik in 1995, in de Martinikerk in Groningen. In oktober 1994 was ik daar aangesteld als pastoraalwerker. Vanaf toen heb ik jaarlijks over de lijdens­geschiedenis gepreekt. Na mijn bevestiging tot predikant in 1998 nam het aantal lijdenspreken toe. De afgelopen vijftien jaar heb ik er vijf tot zeven keer per jaar een gehouden.”

Is het gevaar van gewenning aanwezig? Hoe blijft u als predikant nieuw, fris, verrassend?

„Wie de Bijbel leest, komt onder andere in de profetenboeken, de evangeliën en de brieven van Paulus veel tekstgedeelten tegen die het lijden van de Heere Jezus als onderwerp hebben. Ik heb niet het idee dat ik de afgelopen jaren alles al bepreekt heb. Er is dus geen sprake van gewenning. Er is steeds nieuwe stof tot enthousiasme. Des­ondanks stel ik ieder jaar na Kerst een ander evangelie centraal, om herhaling te voorkomen. Hierbij kijk ik ook welke hoofdstukken ik al bepreekt heb en of die eerder aan de orde zijn geweest. Dit jaar ben ik na Kerst begonnen met het evangelie van Johannes. In de lijdensweken behandel ik dit boek met mijn collega in een prekenserie.”

Stelling: ”Als het licht van de Geest op het Woord valt, wordt iedere tekst weer nieuw”.

„Op elke tekst die voorbereid en bepreekt wordt, zal Gods Geest betrokken moeten zijn. Het is bijzonder als dat ervaren mag worden, juist bij bekende teksten. Zelf heb ik de nieuwheid van een bekend tekstgedeelte ervaren bij de bestudering van Johannes 12. In eerste instantie zou –vanwege de gemaakte indeling voor de prekenserie– de lezing zijn tot vers 19, maar later koos ik ervoor tot vers 26 door te lezen. De verbinding die er is tussen de verzen 19 en 20 was voor mij een nieuwe ontdekking. De Grieken waarover gesproken wordt in vers 20, bevestigen de woorden van de Farizeeën in het voorgaande vers.”

Hebt u voldoende ruimte voor studie, om ervoor te zorgen dat de heilsgeschiedenis exegetisch nieuw blijft?

„In het afgelopen seizoen hebben we als gemeente een nieuw beleidsplan opgesteld. Een van de pijlers daarvan is verdieping. Naast de diepgaande behandeling van allerlei onderwerpen op de kerkenraadsvergaderingen wordt deze verdieping ook verwacht in de prediking. Hier is ruimte voor gemaakt door onder andere bepaalde taken van de predikanten over te hevelen naar andere kerkenraadsleden. Zo is er meer tijd om de preek voor te bereiden. Ook is het mogelijk om je de preektekst eigen te maken en te proberen deze als nieuw aan de harten van de gemeenteleden te leggen. Ik bestudeer de grondtekst, maar lees ook meditaties en preken van collega’s. De vondsten die zij opgediept hebben, wil ik niet weer onder het stof laten verdwijnen. Het zijn schatten die ervoor zorgen dat de heilsgeschiedenis exegetisch nieuw blijft en dat de bekende geschiedenissen de gemeente als nieuw in de oren klinken.”

Zijn er lijdenspreken waaraan u persoonlijk goede herinneringen bewaart?

„Een bijzondere ervaring, die niet direct met een lijdenspréék te maken heeft, had ik in 1996 in het Friese Nes. Op de maandag voor een lijdenszondag was er een inwoner van Nes met de auto onder het ijs gekomen. Vrijdags werd zijn lichaam gevonden. De dienst van die zondag was beladen. Toen de organist het laatste lied inzette, een gezang uit het Liedboek voor de kerken, hoorde ik een adventslied. Het was niet Gezang 177 zoals opgegeven, maar Gezang 117. Er bleek iets bijzonders aan de hand te zijn. Het zesde couplet was uitzonderlijk passend: Gij zwaarbeproefde schare/ ten dode toe benard,/ daar gaat een blijde mare,/ o schrijf die in uw hart:/ al drukt het kruis uw schouder,/ al dooft het laatste licht,/ uw Trooster en Behouder/ staat voor uw aangezicht.

Verder denk ik aan Markus 14:51-52, waar het gaat over een jongeman die de Heere Jezus in de hof volgde, maar naakt wegvluchtte. Het is zoals het zo vaak is bij ons. We willen Jezus wel volgen, maar vluchten zo gemakkelijk weg. Dan blijven we met lege handen staan. Wie bereid is om zijn leven te verliezen, die zal uit de doorboorde handen van de Gekruisigde overkleed worden met het eeuwige leven.”

Volgende week woensdag deel 6.