Willem Ouweneel: In theïstische evolutionisme gaat het niet om onschuldige zaken

Adam en Eva worden uit het Paradijs verdreven. Gravure van Paul Gustave Doré. beeld RD
2

Het lijdt geen twijfel dat velen zullen willen weten hoe prof. Willem Ouweneel staat in de huidige discussie over schepping en evolutie, na het verschijnen van de boeken van onder meer prof. Gijsbert van den Brink en prof. Mart-Jan Paul.

Ouweneel begon ooit als overtuigd creationist, maar lijkt die weg later verlaten te hebben, al heeft hij nooit gekozen voor theïstisch evolutionisme.

In ”Adam, waar ben je?” neemt hij heel nadrukkelijk stelling tegen het theïstisch evolutionisme. Zoals we dat van Ouweneel gewend zijn, doet hij dat met stevige bewoordingen. Ik citeer uit het Woord vooraf: „Maar in mijn optiek is hun manier (dat wil zeggen die van de theïstische evolutionisten, MJdV) om te proberen Genesis 1-3 te lezen door de bril van de evolutieleer een ramp.” En even verderop: „Ik probeer de motieven van deze auteurs niet te beoordelen; ik zeg alleen dat ik hun resultaten als rampzalig beschouw.”

Waarom rampzalig? „Het is mijn vaste overtuiging dat zij niet alleen een Bijbelse visie op de mens en op de zonde verliezen, maar uiteindelijk ook op de Schrift, op het heil en op Christus zelf.”

Schuiven

Daarmee is de toon voor het boek gezet. Ouweneel laat zien dat het in het theïstisch evolutionisme niet om onschuldige zaken gaat. De hele theologie raakt aan het schuiven. Het gaat veel verder dan Genesis 1-3; het raakt aan alle latere verwijzingen naar de schepping en de zondeval, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament. In feite heeft het boek ”En de aarde bracht voort” van prof. Gijsbert van den Brink, wiens naam –niet geheel verrassend– veelvuldig in Ouweneels boek voorkomt, overtuigend laten zien hoe groot de consequenties zijn van de benodigde herinterpretatie van de Schrift naar de eisen van de evolutietheorie. Zijn boek had een prachtig bewijs uit het ongerijmde kunnen zijn („Laten we aannemen dat de evolutietheorie juist is, wat zijn dan de consequenties?” Om vervolgens op grond van de absurditeit van die consequenties te concluderen dat de beginaanname niet juist is). Maar curieus genoeg trekt prof. Van den Brink juist de conclusie dat evolutietheorie en Heilige Schrift wél verenigbaar zijn.

Ouweneel trekt in dit boek stevig van leer tegen die conclusie. Terecht schrijft hij dat wie gereformeerd wil heten, dan wel bereid moet zijn zich te bewegen binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis. Hoewel Ouweneel zelf niet behoort tot een kerk van gereformeerd belijden maar tot de Vergadering der Gelovigen, heeft hij veel op met de gereformeerde belijdenis. Daarom is hij van mening dat theologen die gereformeerd willen heten niet van twee walletjes kunnen eten: enerzijds het label gereformeerd blijven claimen, maar tegelijk niet bereid zijn om binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis te blijven.

Kern

In een serie artikelen in Het Kerkblad van de Hersteld Hervormde Kerk heeft prof. dr. W. van Vlastuin zeer kundig laten zien hoezeer de gereformeerde theologie beschadigd raakt bij acceptatie van de evolutietheorie. Bij Ouweneel vinden we de meeste van Van Vlastuins argumenten ook, maar dan verder uitgewerkt.

”Adam, waar ben je?” raakt precies aan de kern van het probleem, namelijk de hermeneutiek. Veel belangrijker dan allerlei natuurwetenschappelijke vraagtekens bij de evolutietheorie –die overigens wel hun waarde hebben om ruimte te scheppen voor de hermeneutische vragen, omdat anders de discussie door de vermeende zekerheden van de evolutionisten bij voorbaat dichtgetimmerd wordt– zijn de vragen naar de Schriftinterpretatie. Terecht wijst Ouweneel erop dat er iets mis is als de gewone gelovige Bijbellezer plotseling totaal afhankelijk wordt van de theoloog omdat er niet meer staat wat er lijkt te staan.

Als vervolgens de theoloog dan op zijn beurt aan de natuurwetenschapper moet gaan vragen wat hij moet antwoorden op de vraag wat er dan wel staat, zijn we wel heel ver verwijderd van het reformatorische principe van de doorzichtigheid van de Schrift. Ouweneel laat zien dat het door prof. Van den Brink aangedragen perspectivisme niet anders is dan concordisme in een nieuw jasje. Beide zoeken een harmonie tussen natuurwetenschap en Schrift. Maar om die te bereiken wordt niet de natuurwetenschap aangepast, maar de Schriftinterpretatie.

Kameel

Hoewel Ouweneel niet direct aanhanger is van de theorie van het hellende vlak (als je ook maar iets verandert, verandert alles mee), laat hij duidelijk zien dat een veranderde hermeneutiek niet beperkt kan blijven tot Genesis 1-3. Het is als in het gezegde over de kameel: als je die toestaat om alleen zijn neus in de tent te steken, staat binnen de kortste keren de hele kameel in de tent.

Om Genesis 1-3 evolutionair te lezen, zul je grote delen van het Oude en Nieuwe Testament anders moeten gaan lezen. Als er geen eerste mensenpaar geweest is, maar een duo van hominiden dat door God geselecteerd wordt om een relatie mee aan te gaan, en de mens voor die tijd al soortgenoten doodde en dat dit na die tijd gewoon blijft doen, als de vrouw niet uit de man is voortgekomen, als de dieren die Adam een naam gaf alleen het staartje vormden van een enorme reeks dieren waarvan het merendeel al uitgestorven is, dan verandert heel de theologie, en niet alleen de opvatting ten aanzien van de schepping.

In achtereenvolgende hoofdstukken laat Ouweneel de consequenties zien voor de mensleer (wat betekent ”geschapen naar Gods beeld” nog in een evolutionaire opvatting?), de zondeleer (inclusief de erfzonde), ja zelfs tot de eschatologie aan toe (als de dood er altijd was in de schepping, is die er dan op de nieuwe aarde ook weer?).

Retoriek

Kortom, het boek van Ouweneel is over het algemeen een gedegen antwoord op de nieuwe hermeneutiek van het theïstisch evolutionisme. Af en toe gaat het ook in dit boek, helaas, iets te kort door de bocht. Zo is de suggestie dat je een christen van welke denominatie ook in een kamer kunt stoppen met alleen zijn Bijbel een de lijst teksten waarin het woord ”dopen” staat en dat ze dan met verschillende visies op de doop naar buiten kunnen komen, maar dat dit nooit zou gebeuren ten aanzien van de vraag of er een eerste mensenpaar geweest is, is natuurlijk retorisch aardig gevonden, maar heeft geen enkele argumentatieve kracht. Prof. Van den Brink is immers met zijn Bijbel die kamer ingegaan en kwam er wel met die gedachte uit.

Zo zijn er wel meer plaatsen waar de retoriek in de plaats van argumentatie komt, en dat komt de overtuigingskracht van het boek natuurlijk niet ten goede. Je kunt niet zonder argumenten beweren dat een bepaalde combinatie van overtuigingen onmogelijk is als een ander zich heeft uitgeput om argumenten te geven vóór zo’n combinatie.

Kiezen of kabelen

Gelukkig is het boek van Ouweneel grotendeels wel degelijk op argumenten gebaseerd. Het laat zien dat evolutietheorie en theïsme misschien nog wel te combineren zijn. Dan is God Degene Die achter het natuurlijke proces van evolutie zit, zoals Hij ook achter de zwaartekracht zit. Maar evolutietheorie en Schrift laten zich, in elk geval binnen de kaders van de gereformeerde belijdenis, niet goed met elkaar verenigen. Het is dus kiezen of kabelen. Dat de gevolgen van de keuze niet gering zijn, laat Ouweneel in zijn boek overtuigend zien.

Boekgegevens

Adam, waar ben je? En wat doet het er toe? Een theologische evaluatie van de nieuwe evolutionistische hermeneutiek, Willem J. Ouweneel; uitg. Buijten & Schipperheijn, Amsterdam, 2018; ISBN 978 90 588 1974 1; 388 blz.; € 29,90.