Cultuur & boekenColumn

„De preek was evenwichtig”, is dat wel een compliment?

Sport en onze gezindte vormen nooit een goed huwelijk. Maar als ik één discipline moest uitkiezen waarin ons volksdeel zou uitblinken, is het de evenwichtsbalk.

Wij houden van balans. Een boodschap moet evenwichtig zijn. Om dat te toetsen, hebben we begrippenparen. Zonde en genade. Verantwoordelijkheid en verkiezing. Drie stukken, twee wegen, één Naam.

Zelfs oud goud moet aan de keuring geloven. Een oudvader die zich geroepen voelde op één aambeeld te slaan, krijgt een aantekening in een recensie. „Voor het evenwicht leze men ook …”

Zo raakten we bedreven in balanceren op de balk. Vraag dat de jonge leerkracht, die in een Bijbelvertelling van tien minuten de hele heilsorde moet ontvouwen ten overstaan van schoolbestuurders. Nog hoor ik mijn vader – hij leidde jarenlang studenten op tot predikant – over proefpreken waarmee de mannen soms afstudeerden: „Het is net metworst: alles zit erin, maar het smaakt nergens naar.”

Begrijpelijk is het wel, dat verlangen naar evenwicht. De geschiedenis leert nu eenmaal dat de dijk van de belijdenis aan beide zijden gevaarlijk steil is. Maar wie uit vrees voor de randen de breedte uit het zicht verliest, houdt een smalle evenwichtsbalk over. Daarop is het moeilijk ontspannen wandelen.

De theoloog Oepke Noordmans keerde zich tegen de gedachte dat verkondiging altijd álles moet zeggen. Integendeel, dat éne moet gezegd worden. „In de preek behoort het geheel van de dogmatiek scheefgetrokken te worden. Anders kan het niet werken_._”

Dat „ene” verschilt, al naargelang Gods Woord aanwijst. Soms eenzijdig confronterend. Soms eenzijdig bevrijdend. Ploegen, zaaien en oogsten doe je nu eenmaal niet tegelijk. Nooit blijft een hoorder tevreden achter omdat „alles weer gezegd is”. Want het Woord werkt, en dat brengt onrust.

Het vraagt moed om elkaar en onszelf niet te gijzelen in een verlangen naar evenwicht

Zulke heilzame eenzijdigheid vraagt wel moed. Om elkaar en onszelf niet te gijzelen in een verlangen naar evenwicht.

Niet snel vergeet ik een lezing, jaren geleden, over Hosea 11. De maat is vol voor Efraïm. Het oordeel is niet meer tegen te houden. „Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering van Mij”, klaagt God (vers 7). Het „bijt zich vast in de ontrouw”, vertaalt de NBV. Niets zo hardnekkig eenzijdig als onze wegloperij. Maar plotseling draait Gods hart zich in Hem om. „Hoe zal Ik u overgeven? Ik zal de hittigheid van Mijn toorn niet uitvoeren” (vers 8).

Wat gebeurt daar nu eigenlijk, tussen die twee verzen? Wie dat evenwichtig in woorden wil vangen, loopt vast. Misschien komt welbehagen nog het dichtstbij, zo’n woord om te proeven.

Een God Die op Zijn schreden terugkeert om genadig te zijn, trekt alles wat wij proberen kloppend te krijgen uit het lood. Wie zou het wagen daarover met twee woorden te spreken? Wie zulke geheimen op de lippen neemt, hoede zich voor evenwicht.