Albert worstelde met transgendergevoelens: „De obsessie om als vrouw te willen leven, is verdwenen”
Lange tijd wilde Albert (68) een vrouw zijn. Hij vocht met sterke verlangens naar alles wat met vrouwelijkheid te maken had. Nu is hij 45 jaar getrouwd met Sonja en dankbaar dat een medische behandeling nooit binnen handbereik lag.

„Vandaag kan ik zeggen dat ik mijn bestemming niet gemist heb: ik ben een man en voel me steeds mannelijker. Maar ik heb diepe verwarring over mijn identiteit gekend. Mijn persoonlijke geschiedenis speelt hierin een cruciale rol, zoals bij elke transgender het geval kan zijn.
Ik groeide op in een gelukkig, protestants gezin met vijf kinderen. Op zondag gingen we twee keer naar de kerk en na de ochtenddienst was er altijd appeltaart. Mijn vader was leerkracht. Ik was de benjamin en hing er daardoor een beetje bij.
Als jong kind werd ik vanwege plotselinge blauwe vlekken op mijn huid per ambulance naar het ziekenhuis gebracht. Niemand ging met me mee. In het ziekenhuis schreeuwde ik om mijn moeder, waarna de zusters me alleen op een kamertje legden. Niemand troostte me of pakte me op. In die week ervoer ik een verlatenheid die ik nauwelijks kan beschrijven. Toen ik weer thuiskwam, was het feest. Maar mijn moeder had haar handen vol aan de anderen en ik kon mijn gevoelens niet uiten. Troost vond ik in de panty’s en het ondergoed van mijn moeder die ik in huis ontdekte. De kledingstukken gaven me een gevoel van nabijheid en veiligheid; ze waren te vertrouwen.
In deze vroege jaren ontwikkelde ik een diepe verlatingsangst. Met het licht aan en een kroeldoekje tegen mijn wang kon ik op zolder in slaap vallen. Als mijn ouders ’s avonds weg moesten, raakte ik in paniek. Mijn broers en zus waren wel thuis, maar alleen mijn doekje stelde me gerust. Ik kon me hechten aan dit surrogaat, maar niet aan mijn moeder.
Mijn gevoelens van leegte gingen gepaard met jaloezie. „Kleintjes mag je wel zien, maar niet horen”, zei mijn vader vaak tegen mij. Hij gaf mijn zus veel complimenten en ook cadeautjes: speelgoed, geurflesjes, een bedelkettinkje. Ze was het enige meisje en mijn vader had liever gehad dat ik ook een meisje was, zodat mijn zus fijn met mij had kunnen spelen. Ik heb altijd een goede relatie met mijn zus gehad, maar was intens jaloers op de aandacht die zij kreeg, op haar jurkjes en eigenlijk op alles wat vrouwelijk was.
Onzekere tiener
Op de lagere school lag ik goed in de groep, maar op de middelbare school veranderde dat. Mijn vrienden uit het dorp gingen naar de havo, ik ging naar de mavo. Elke dag fietste ik alleen door de bossen naar school. Met jongens kon ik moeilijk aansluiting vinden. Ik was geen vechter, eerder iemand die wilde helpen en sussen. Ik voelde me onzeker, ook in het contact met meisjes. Hoewel ik niet werd gepest, miste ik het gevoel erbij te horen.
Thuis was er geen sprake van fysiek misbruik, maar mijn vader kon wel driftig zijn. De woorden die hij in zijn boosheid naar ons schreeuwde, lieten sporen na. Als hij riep dat mijn broers naar de hel gingen, bad ik: „Stuur mij maar naar de hel.” Ik verinnerlijkte dat. Wanneer hij zich liet gaan, probeerde ik de vredestichter te zijn. In deze periode groeide er veel scheef. Ik werd opgevangen in de koffiebar waar ik in het weekend naartoe ging. Toen ik veertien was, erkende ik God als mijn hemelse Vader. Dat besef is me altijd bijgebleven.
Als tiener droomde ik vaak over mezelf als meisje. Overdag fantaseerde ik erover hoe het zou zijn om een meisje te zijn. Ik was bang voor homoseksuele gevoelens; ik wilde geen homo zijn. Mijn ouders waren ’s middags vaak weg en ik herinner me een middag dat ik alleen thuis was en getriggerd werd door een panty die op tafel lag. Ik nam hem mee naar mijn kamer en trok hem aan, wat een sterke opwinding veroorzaakte. Het gevoel een vrouw te willen zijn, bezorgde me schuldgevoelens.
Op mijn achttiende kon ik gemakkelijk voor een meisje doorgaan. Ik had lange haren, nauwelijks baardgroei en het was de hippietijd. Op een dag nam ik na school een lange zwarte rok, zwarte panty’s en een bh van mijn zus mee en verkleedde me achter een kantoorgebouw. Vervolgens stapte ik in de trein en mengde me in de stad tussen de winkelende mensen. De spanning en opwinding tijdens het verkleden waren intens. Thuis verdween de spanning langzaam uit mijn lichaam. Vanaf dat moment kocht ik vaker vrouwenkleding en kregen mijn escapades een regelmatig patroon. Hoewel deze momenten soms een fysieke ontlading gaven, was het gevoel van euforie dat ermee gepaard ging nog sterker en onweerstaanbaar.
Als volwassene, toen ik via internet informatie over geslachtstransities vond, begon ik vrouwelijk hormoon te gebruiken, wat het proces verder stimuleerde. Na een verkleedmoment ervoer ik vaak diepe gebrokenheid en wist ik niet hoe ik verder moest. Ik probeerde tegen de verlangens te vechten, wat soms weken goed ging, maar uiteindelijk gaf ik weer toe aan de drang.
Mijn diagnose luidt: niet-volgroeid man-zijn, een psychisch probleem waarbij iemand in zijn gevoel een andere identiteit ervaart dan zijn biologische geslacht. Mijn vader sprak bij mijn broers hun mannelijkheid aan, maar bij mij niet, waardoor een diepe wond ontstond die ik lange tijd niet heb onderkend.
Rivaal
Mijn worsteling met transgendergevoelens heeft diepe sporen nagelaten bij de mensen om mij heen. Ik heb velen pijn gedaan, allereerst mijn vrouw Sonja. Toen we elkaar tijdens onze opleiding leerden kennen, heb ik haar direct alles verteld. We betrokken ook de voorganger van onze christelijke gemeente erbij. Hij meende dat het beter zou gaan zodra we getrouwd waren. Dat was natuurlijk een misvatting. Eigenlijk moest Sonja leven met een rivaal in onze relatie. Aan de buitenkant leek er niets aan de hand, maar in het verborgene woedde een voortdurende strijd. Mijn escapades hield ik geheim. Gaandeweg werd ik een goede leugenaar. Omdat niemand wist wat er speelde, leefde ook Sonja in een leugen. Ze betrapte me telkens weer op bedrog. Ze is nooit meegegaan in mijn gevoelens. „Ik ben getrouwd met een man”, zei ze. „Die ander ken ik niet.” Vaak smeekte ik haar: „Laat me toch, ik doe er niemand kwaad mee.” Maar zij bleef standvastig: „Nee, ik ben niet met een vrouw getrouwd.” Had ze toegegeven, dan was het alleen maar erger geworden. Ons huwelijk zou uiteindelijk stukgelopen zijn.
Mijn probleem volgde het patroon van HALT-gevoelens: hungry, angry, lonely, tired (hongerig, boos, eenzaam, moe). Deze afkorting wordt vaak gebruikt bij mensen met een verslaving en was ook op mij van toepassing. Ik ervoer een sterke honger naar seksuele bevrediging, wat voor Sonja zwaar was. Ze voelde zich tekortschieten en als vrouw verworpen, maar ondanks alles bleef ze me vasthouden. Haar gedachte was: waarom zou jij hier niet uit kunnen komen, als anderen dat wel kunnen? Ze wist dat God het antwoord was en dat onze hoop volledig op Hem moest zijn.
Op het hoogtepunt van de crisis nam Sonja een belangrijke stap. Ze stuurde me voor een weekend het huis uit, zodat ik tot bezinning kon komen. Ze vroeg me een keuze te maken tussen doorgaan met de illusionaire ander of volledig voor haar en voor ons huwelijk kiezen. Het was een confronterend moment, maar het bracht me dichter bij de waarheid en hielp me de beslissing te nemen die uiteindelijk mijn leven zou veranderen.
Onze strijd en tranen zijn met geen pen te beschrijven. Toch zeggen we nu: ze waren het waard. Sonja’s benadering was voor mij ontwapenend en tegelijkertijd liefdevol. Haar houding is mijn redding geweest.
Cruciaal was ook de steun van de christelijke gemeente waaraan we verbonden waren. Gemeenteleden hebben Sonja en mij omringd met hun gebeden. Onderling spraken ze af hoe ze me zouden benaderen: de één zou streng zijn, terwijl de ander juist troost bood. Ze gaven toe dat ze niet goed wisten hoe ze me konden helpen en drongen erop aan dat ik professionele hulp zocht.
Man-zijn bevestigen
Intussen was er steeds de schaamte. Niet alleen vanwege het seksuele aspect van mijn gedrag, maar ook omdat ik me een rariteit voelde: een man die probeerde vrouwelijk over te komen, terwijl zijn mannelijkheid duidelijk zichtbaar bleef. Ik werd nog vaak als meneer aangesproken en door tieners uitgelachen.
In 1990 besloot ik mijn man-zijn bewust te ontwikkelen. Terugkijkend op de afgelopen 36 jaar zie ik dat ik steeds mannelijker ben geworden. Het was belangrijk om mijn man-zijn te bevestigen en degenen die mij begeleidden, deden dat voortdurend. Een voorganger gaf Sonja bijvoorbeeld het advies zich afhankelijk van mij op te stellen. Dat hield in dat zij geen werk zou zoeken, hoewel dat op dat moment eigenlijk wel verstandig was, omdat ik haar zomaar zou kunnen verlaten.
Als het slecht met me ging, merkte Sonja dat meteen. Ik was emotioneel afwezig en verzonken in mijn eigen gedachten. Mij vragen stellen, had weinig zin; ik zou ontkennen. Ze vroeg me dan om mijn sokken uit te doen, waarna bleek dat ik nagellak op mijn tenen had. Ze werd daarmee onbedoeld controleur, iets wat zwaar voor haar was en niet haar taak. Toch koos Sonja ervoor opnieuw vertrouwen te schenken. Dat wist ik terug te winnen, deels omdat ze merkte dat ik oprecht mijn best deed om te veranderen. Op een gegeven moment brak ik resoluut met alles: ik stopte met hormonen gebruiken, liet het verkleden achter me en verbrandde alle dameskleding. Dat was een uitgesproken geestelijke daad.
Een belangrijk moment in mijn herstel was de operatie waarbij het borstweefsel, gegroeid door het gebruik van vrouwelijke hormonen, werd verwijderd. Dit bracht veel innerlijke rust. Als ik opnieuw hormonen zou gebruiken, zou het resultaat esthetisch onaantrekkelijk zijn. Het wegvallen van deze optie heeft dwangmatige gedachten en gevoelens laten verdwijnen. De obsessie om als vrouw te willen leven, is verdwenen.
Open zijn
Een probleem is vaak zo groot als het geheim dat je ervan maakt. Aan de ene kant ben ik blij dat mijn vader dit nooit heeft geweten. Hij zou me waarschijnlijk naar een dokter hebben gestuurd, waardoor ik in een medisch traject terecht was gekomen. Aan de andere kant heb ik geleerd hoe belangrijk het is om open te zijn en je naasten – ouders, broers, zussen en volwassen kinderen – in vertrouwen te nemen. Achteraf bleek die stap minder moeilijk dan ik had verwacht. Goedbedoelde, maar simplistische adviezen van anderen konden zwaar drukken, terwijl oprechte betrokkenheid juist enorm steunend was. Een schouderklopje, een luisterend oor, of iemand die zei: „Wat heftig voor je.” Het raakte me diep toen mijn zus in tranen uitbarstte. Meeleven ervaar je ook als mensen normaal tegen je doen, je niet anders behandelen of met andere ogen naar je kijken.
Er is geen wetenschappelijk bewijs voor dat iemand als transgender geboren wordt. Onderzoek laat zien dat onze hersenen flexibel zijn: ze ontwikkelen zich door wat we doen, zien en horen, en kunnen veranderen of zelfs geprogrammeerd worden. Gevoelens zijn daardoor sterk verbonden met de keuzes die we maken.
Ik besefte dat mijn transseksuele gedrag zondig was en God pijn deed. In feite stelde ik daarmee Zijn schepping van mij ter discussie. Vanuit een christelijk perspectief geloof ik dat transgender-zijn niet mijn bestemming is. De Bijbel noemt expliciet dat het voor God een gruwel is als een vrouw mannenkleding draagt. Als God er zo over denkt, wil ik datzelfde gevoel van afkeer delen.
Vergeving
Hoewel ik me er lang niet over durfde uit te spreken, voel ik me nu genezen. Ik ben geen transgender, ik ben een man. Dat merk ik in de alledaagse dingen: als ik met Sonja laarzen voor haar ga kopen, voel ik geen prikkeling of spanning meer die vroeger onlosmakelijk verbonden was aan damesschoenen en -kleding. Die obsessie is volledig verdwenen. Ik ben bevrijd en kan bevestigen dat herstel van identiteit mogelijk is. Natuurlijk kunnen oude patronen terugkomen, maar ik weet dat ik niet in een verkeerd lichaam geboren ben.
Mijn strijd was een geloofsstrijd. Mijn overgave aan God is een proces geweest dat lang heeft geduurd. Mijn sterke wil moest worden gebroken. Nu ervaar ik diepe vreugde en rust in mijn hart. Ik ben dankbaar dat ik mijn leven met Sonja mag delen en niet eenzaam hoef te leven. Het geluk om mijn kleinkinderen, hun enthousiaste „Ha, opa!”, is een zegen. Het is ook een voorrecht dat ik binnen de kerk pastorale zorg kan bieden. Het geeft diepe vrede om van betekenis te zijn en door God gebruikt te worden.
Vergeving speelde een cruciale rol in het loskomen van mijn verslaving. Na elke misstap of verkeerde gedachte beleed ik mijn zonde. Eén moment staat me nog scherp bij: tijdens mijn werk had ik me verkleed en ging ik een kerk binnen. Daar knielde ik voor een icoon en vroeg, schijnbaar vroom, om hulp van God. Op dat moment probeerde ik Hem bij mijn zonde te betrekken, een duistere kant van mijn strijd. Toen ik deze zonde werkelijk beleed, voelde ik de bevrijding en begreep toen pas de ernst van mijn gedrag. In mijn escapades gaf ik me over aan een illusionaire, geperverteerde vrouw, zoals een therapeut ooit uitlegde. Zelfs in mijn dromen speelde vaak een verleidelijk vrouwelijke figuur mee – die vrouw was ikzelf. Ik ervoer dit als duister en demonisch. Ik ben diep dankbaar dat God mij daarvan heeft verlost en me een nieuw begin gaf.
Dichter bij God
Hoe vreemd dat ook klinkt, ik ben dankbaar voor de moeilijke weg die ik heb afgelegd. Die heeft me veel geleerd over Wie God is en over Zijn liefde en genade. De wanhoop heeft mij niet overmand. Ik dank dit mede aan de vele preken die ik heb beluisterd, bijvoorbeeld van John Piper. Deze hielpen mij om Christus werkelijk te zien en Hem te vertrouwen.
Voor mensen die niet in God geloven, ontbreekt deze dimensie van hoop en verandering. Een seculiere psycholoog zei dat hij me niet kon helpen en ook een arts gaf aan dat verandering niet mogelijk was. Mijn verhaal gaat tegen de heersende trend van deze tijd in, waarin het draait om jezelf goed voelen en het zoeken van bevestiging van je gevoelens. Het ware leven is vernieuwing van het hart en leven naar Gods beeld. Zoals in Johannes 17 staat: leven is Christus kennen. Er is hoop en herstel mogelijk, zelfs in de diepste verwarring.”
De naam Albert is gefingeerd. Zijn echte naam is bij de redactie bekend.







