OpinieColumn

Voel je je nog gezien als degene die voor je zorgt tegelijkertijd met zijn gedachten ergens anders moet zijn?

Cijfers geven de indruk dat ze in één oogopslag heel precies de grootte van iets aangeven. Maar soms lukt het niet; de mooie, concrete getallen willen niet landen. Niet omdat ze onnauwkeurig zijn, maar omdat ze zo moeilijk te bevatten zijn. Neem het bericht van Zorgvisie op 3 april met als titel: ”9000 alarmsignalen op één dag; onmogelijk om op te volgen, maar negeren is gevaarlijk”.

Het artikel gaat over een project waarin bleek dat medewerkers in de zorg geconfronteerd worden met een enorme vloed aan alarmen uit de zorgalarmeringssystemen.

9000 alarmsignalen op één dag, in één zorgorganisatie... Ik probeer het te begrijpen: een dag werken in de zorg duurt over het algemeen acht uur, als je de pauzetijd meerekent negen uur. Dat betekent elke 3,5 seconden een alarm. Zelfs wanneer je voor één dag uitgaat van de volle 24 uur, is het nog steeds één alarm per 10 seconden. Je hoeft er niet voor in de zorg te werken om te begrijpen dat het in de praktijk onmogelijk is om ze allemaal op te volgen. En dus gebeurt wat eigenlijk niet zou mogen: alarmen worden genegeerd. Niet uit onwil, maar simpelweg omdat het niet anders kan. Een alarm is er echter niet voor niets. Het staat voor een hulpvraag van kwetsbare mensen of voor een dreigende, gevaarlijke situatie.

Maar hoe intrigerend ook, meer nog dan de enorme hoeveelheid alarmsignalen hield mij bezig wat deze vloed aan alarmen betekent voor de zorg, die er steeds door onderbroken wordt. Een van de meest essentiële eigenschappen van de zorg is het relationele karakter ervan, het contact tussen degene die zorg ontvangt en degene die zorg verleent. Dat gedijt het best als er sprake kan zijn van onverdeelde aandacht. Juist dat staat echter onder druk als dat contact continu onderbroken wordt. Zorgverleners worden door al die alarmen gedwongen om voortdurend te schakelen, van dat wat ze doen naar het oplossen van het probleem waarvoor het alarm afgaat en weer terug naar de onderbroken bezigheden. Heel vaak betekent dat ook schakelen van de ene patiënt naar de andere en weer terug.

Dat voortdurende schakelen heeft een prijs. Ja, ook bij vrouwen, ook al luidt de volkswijsheid dat vrouwen beter dan mannen twee dingen tegelijk kunnen doen. Elke keer dat van taak gewisseld wordt, moet het brein zich opnieuw instellen. En dat kost tijd. Het zijn weliswaar kleine tijdsverliezen per wisseling, soms slechts fracties van seconden, maar die stapelen zich op tot aanzienlijk tijdverlies en bovendien tot meer fouten.

Wat betekent het voor een zorgverlener als de werkdag bestaat uit een aaneenschakeling van onderbrekingen, als je nooit lang genoeg bij één patiënt kunt blijven om echt in het contact te komen?

Er is echter nog een aspect dat vaak onderbelicht blijft. Elke onderbreking ondermijnt de onverdeelde aandacht van de zorgverlener. Wat betekent het voor een zorgverlener als de werkdag bestaat uit een aaneenschakeling van onderbrekingen, als je nooit lang genoeg bij één patiënt kunt blijven om echt in het contact te komen? En wat betekent het voor de patiënt? Kun je je nog gezien voelen als degene die voor je zorgt tegelijkertijd met zijn gedachten ergens anders moet zijn? Als elk gesprek onderbroken kan worden omdat de zorgverlener door een alarm bij je weggeroepen wordt?

Misschien is dat wel de kern van het probleem dat achter die 9000 alarmsignalen schuilgaat. Ze leggen een systeem bloot waarin zelfs in de zorgmomenten zelf de aandacht versnipperd raakt. En dat vraagt om een fundamentelere reflectie op de vraag hoeveel ruimte we laten voor datgene waar zorg uiteindelijk om draait: onverdeelde aandacht voor de ander. En dat begint, hoe paradoxaal ook, misschien wel met ”minder”. Minder alarmsignalen. Minder schakelen. Minder tegelijk moeten doen. Zodat er weer ruimte ontstaat voor meer van wat er werkelijk toe doet.

De auteur is hoogleraar Verplegingswetenschap.