Was ds. Kersten inderdaad geen vervangingstheoloog?
Met drs. P.H. Op ’t Hof hoop ik dat er verwachting voor het Joodse volk is. Maar dat ds. G.H. Kersten geen vervangingstheoloog zou zijn, waag ik te betwijfelen.

Met enige verbazing nam ik kennis van de opiniebijdrage van drs. P.H. op ’t Hof met als kop: ”Ds. Kersten was echt geen vervangingstheoloog” (RD 26-3). Op ’t Hof schreef zijn artikel als reactie op Toegespitst van dr. C.P. de Boer, waarin deze stelt dat ds. G.H. Kersten de reformatorische verwachting van de bekering van Israël én een terugkeer van het Joodse volk naar het beloofde land verwierp (RD 21-3).
In de gereformeerde belijdenissen wordt over Israël vooral gezwegen
Over het reformatorische van die verwachting valt (tussen haakjes, maar niet onbelangrijk) mijns inziens wel te discussiëren. Alsof die verwachting een kenmerk van de reformatorische (= gereformeerde) leer is. En dat terwijl er in de gereformeerde belijdenissen over Israël vooral gezwegen wordt.
Geen schroom
Op ’t Hof stelt dat het goed is om eerst te definiëren wat met ”Israël” wordt bedoeld. Dat lijkt me terecht. Ik ben het met hem –en zo ook met ds. Kersten– eens dat we het dan over het Joodse volk hebben (in Israël én de diaspora). Maar ik vind het vervolgens onbegrijpelijk dat Op ’t Hof het, meer dan tachtig jaar na de Tweede Wereldoorlog, voor ds. Kersten opneemt. En dat hij het daarmee presenteert als reformatorisch, als Kersten op pag. 22 van zijn dogmatiek (deel 2) schrijft dat, als gevolg van de verwerping van Jezus als Messias, er een oordeel op de Joden rust. Daarmee verwijst hij naar Mattheüs 27:25, alsof op dat plein bij Pilatus door het héle volk van Israël geroepen is: „Zijn bloed op ons en onze kinderen.” Het waren er met enige welwillendheid op z’n hoogst enige honderden! (Zie voor de uitleggeschiedenis van Mattheüs 27:25 onder anderen S. Schoon: ”Zijn bloed over ons en onze kinderen. Een tekst en zijn uitwerking”, serie Verkenning en Bezinning, 16e jrg. nr. 4, Kampen 1983.)
Op z’n hoogst enige honderden riepen: „Zijn bloed op ons en onze kinderen”
Ik werd in het bijzonder geraakt door wat dr. M.J. Paul in zijn ”Mattheüs. Bijbelverklaring met Joodse en archeologische achtergronden” (Apeldoorn, 2025) schrijft: „De uitspraak van het volk (die paar honderd dus, op dat plein, LvR) is in de loop der eeuwen vaak gebruikt om de Joden te vervolgen en te doden. Daarbij is het opvallend dat in de Tien Geboden een straf tot in het vierde geslacht genoemd wordt, maar christenen geen grens in het aantal generaties trokken. Ook is het zo dat de tekst het oordeel aan God overlaat, terwijl in de geschiedenis christenen hebben gemeend dit oordeel zelf te mogen of te moeten voltrekken. Daarmee hebben zij veel schuld op zich geladen” (pag. 377). Bij Op ’t Hof lees ik niets dat ook maar in de richting gaat van (plaatsvervangende) schaamte of, ten minste, schroom over wat ds. Kersten schrijft (en wat kennelijk nog altijd leeft) over het oordeel dat op Israël blijft rusten „tot den dag hunner bekering komt”.
„Symbolisch volk”
En dan de vraag wat ds. Kersten voor Israël (nog) verwacht. Ik blader zo’n driehonderd pagina’s verder in zijn ”De Gereformeerde dogmatiek” en lees op pagina 314 onder andere (het staat nota bene cursief gedrukt): „Israël heeft als symbolisch volk afgedaan.” Ik weet niet precies wat ds. Kersten met Israël als „symbolisch volk” heeft bedoeld, maar wat hij eraan vooraf laat gaan, duidt toch wel op vervangingstheologie, dat wil zeggen dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is – de kop boven het artikel van Op ’t Hof ten spijt. Ik lees namelijk op pag. 314 dat „de Joden, die tot bekeering gebracht zullen worden, in de kerk zullen worden ingelijfd”. Op ’t Hof kan dan wel schrijven dat Kersten geen vervangingstheoloog was –en hij denkt dat te bewijzen met wat teksten van hem– maar het is misschien meer wensdenken dan hij voor waar wil hebben.
Er is in 1950 in Kerstens dogmatiek nog niet eens een naschrift opgenomen bij wat hij schrijft over de Joden
Nog een citaat van ds. Kersten (pag. 315): „Het natuurlijk Jodendom is afgehouwen; de heidenen zijn tegen nature ingeënt op den stam Christus en zij zullen eens de zich nog steeds volhardende Joden tot jaloerschheid verwekken, opdat ook dezen, naar het getal der uitverkorenen, tot de kerk (!, LvR) zullen worden toegevoegd.” Volgens mij is dat tegengesteld aan wat ik in Paulus’ brief aan de Romeinen lees.
Geen voetnoot
Ds. Kersten is in 1948 overleden. Ik weet niet of hij nog enige invloed heeft gehad op de uitgave van zijn dogmatiek (ik heb dezelfde uitgave (1950) als drs. Op ’t Hof in de kast heeft staan). Toch lijkt het mij veelzeggend dat er in 1950 nog niet eens een naschrift of een voetnoot is opgenomen bij wat Kersten schrijft over Israël/de Joden. Alsof er in 1940-45 niets gebeurd is, alsof er vijf jaar na de Holocaust niet enige reflectie is geweest op een tekst als „Zijn bloed kome over ons...” Over wat die tekst heeft betekend voor de prediking en wat de prediking over die tekst heeft betekend voor onder andere de Joodse gemeenschap in ons land en daarbuiten.
Het helpt naar mijn mening niet veel (integendeel) als ik op pagina 315 lees: „God doet de Joden voortbestaan; Zijn toorn rust kennelijk op hen, die Israël zoeken uit te roeien, zoals kort geleden bij vernieuwing is gebleken over Hitler en diens aanhang; niettegenstaande het vleeschelijke Israël het bloed van Christus over zich en zijn kinderen heeft ingeroepen. Want het overblijfsel zal behouden en tot Christus gebracht worden (...) dan zal niet het Jodendom de kerk zijn, maar het zal tot Christus’ kerk worden gebracht en met de heidenen één volk vormen, één geestelijk Israël, het volk van den Vader verkoren, door Christus’ bloed gekocht en door den Heiligen Geest toegebracht. Ja meer!”
Herstel van Israël
Kersten gelooft, getuige wat hij schrijft in zijn dogmatiek –en die is wat mij betreft meer leidend dan zijn preken– niet zo in een herstel van Israël als Op ’t Hof het zich voorstelt. Kersten schrijft: „dat, hoewel voor de Joden de belofte der zaligheid is weggelegd, evenwel geen herstel van het oude Israël meer te wachten is en de beloften, die voor Israël en Sion nog haar vervulling wachten, zien op het geestelijk Israël, op het uitverkoren volk van God uit alle geslachten en niet op de natuurlijke afstammelingen van Abram” (De cursiveringen zijn van Kersten, althans in de uitgave van 1950).
Met Op ’t Hof hoop ik dat er verwachting voor het Joodse volk is. Maar dat ds. Kersten geen vervangingstheoloog zou zijn, waag ik te betwijfelen.
De auteur is predikant van de hervormde gemeente Adventskerk in Alphen aan den Rijn.









