Cultuur & boekenWinterverlies

Jan Hertoghs: De winter is als een zeldzame vogel geworden

In ”Kind zonder winter” van Jan Hertoghs „is het winter, volop winter”. Hertoghs houdt van kou, meer dan van hitte. Hij windt zich erover op dat een spoortje sneeuw direct op zijn kop krijgt via krantenkoppen.

Drie kinderen in warme winterjassen staan bij een sneeuwpop die net zo groot is als zijzelf.
Journalist Jan Hertoghs, auteur van ”Kind zonder winter”, fotografeert nu al 15 jaar elke sneeuwpop („sneeuwman”) die hij tegenkomt. Op de foto: de sneeuwpop die hij maakte met zijn vader toen hij een jaar of zes, zeven was. In zijn herinnering is dit zijn eerste sneeuwman. beeld Jan Hertoghs 

Zijn boek is een ode aan de winter, zo’n ouderwets koud seizoen dat kinderen in Nederland en België al haast niet meer meemaken. De Vlaamse journalist Jan Hertoghs (1953) verzamelde zo’n 40 jaar krantenartikelen over de winter en maakte winterreportages van Noord-Finland tot Noord-Amerika. Een aantal passages van die reportages is opgenomen in ”Kind zonder winter”.

In korte hoofdstukken en trefzekere, soms melancholische zinnen neemt hij de lezer mee naar Hoog-België, „het deel van België dat nauwer bij de winter ligt”, naar Friesland, naar Finland, naar de Alpen, naar gletsjers, naar Amerika en een kerkdienst bij de amish terwijl het buiten sneeuwt. En naar de strenge winter van 1962-1963, toen de Noordzee bevroor: „Een zandstrand is er niet meer. Er is alleen nog een dikke poreuze laag van korrelijs en brokken ijsschots.” Hij schrijft over het geluk van schaatsen, dat Nederlanders volgens hem beter hebben begrepen dan Belgen. „In koude winters trekt (bijna) heel Nederland zijn schaatsen aan, in België snoert men hoogstens de sjaal wat vaster.”

Zwart-witfoto. Twee mensen staan op een bevroren branding en kijken uit over zee. Op de achtergrond een stukje boulevard.
Bevroren zee bij De Panne in de strenge winter van 1962-1963. beeld Michel Dewulf

Winterverlies

„Wie in 2025 terugkijkt op de 25 voorbije winters heeft 19 zachte winters meegemaakt, waarvan 9 buitengewoon zachte. Slechts 6 van de 25 winters waren normaal. Sinds 2000 was er geen enkele koude, zeer koude of strenge winter meer.” Wat ervoor in de plaats komt, zijn „winters zonder betekenis. Nulwinters. Waterwinters.” En daar hoort het haast onbestaande woord „winterverlies” bij, aldus Hertoghs in het begin van zijn boek.

Winterliefhebbers zijn idealisten, en ze zijn kwetsbaar, schrijft hij: „Elke dag van de winter kan hun liefde ontnomen worden: het sneeuwt niet, het vriest niet, de winterzon schijnt niet. En dat dagen en weken na elkaar.” Die twee kanten komen ook naar voren in het boek: de winter is prachtig en de winter veroorzaakt lijden.

U noemt uzelf een winterkind. Waar komt uw winterliefde vandaan?

„Als kind had ik de winter al graag. In de jaren 50, 60 namen ouders hun kinderen niet mee naar het buitenland, zelfs niet naar de Ardennen – het belangrijkst was wat je in de tuin zag. Vlak bij ons huis was een park en als ik daar ijs zag liggen op kleine sloten en ondergelopen stukjes land, dan was dat voor mij al voldoende.

Tijdens mijn hele schooltijd zat ik van november tot mei uit het raam te kijken of er soms een bewolking aan het ontwikkelen was waar sneeuw uit kon gaan vallen. Sneeuw zou de hele dag kunnen omgooien, het routinematige van de lessen doorbreken… sneeuw bracht een vakantiegevoel, spanning en avontuur in de klas. De winter doorbreekt het dagelijkse, geregelde; er ontstaat plots een andere wereld vlakbij.

Ik ben geboren op de avond van 31 januari 1953. De nacht erna kwam de watersnood. Op elke verjaardag werd daarover gesproken: dat er in Antwerpen twaalf of dertien mensen zijn verdronken, en dat de grote ramp met 1836 slachtoffers in Nederland plaatshad. Mijn tante was de vroedvrouw die mij op de wereld zette; ze vertelde hoe die avond de dakpannen van de daken vlogen.

Het kan zijn dat dit iets heeft nagelaten bij mij: mijn interesse voor extreem weer, storm en winter.

Portret van man met blauwe ogen en grijs haar.
Jan Hertoghs, auteur van "Kind zonder winter". beeld Stephan Vanfleteren 

Van 1983 tot begin 2018 werkte ik als journalist, onder andere voor het blad HUMO. Ik heb ruim 800 lange reportages geschreven, over allerhande onderwerpen. Mijn eerste reeks reportages ging over Belgen die een natuurramp hadden meegemaakt. Een aardbeving, een overstroming, een zandstorm in de woestijn, noem maar op, en drie hiervan gingen over de winter. De winter heeft dat tragische, dat lijden in de kou, het afzien – dat fascineert me evenzeer als het avontuurlijke en de sneeuwpret.

Toen ik vijftig werd, ben ik gaan uitzoeken of er meer baby’s geboren zijn in de stormnacht van 1953. Ik vond er twee. Voor een van hen kwam ik terecht in Nieuwerkerk, in Zeeland.”

Onverdraagzaamheid

Zijn zoektocht bracht hem bij Riet Vane, die tijdens de stormvloed een broertje kreeg – op een drijvend dak. Hoe dat verder ging, is te lezen in het hoofdstuk ”Geboorte op ijskoud water”.

Zelfs in een reportage die u schreef over een Amerikaanse familie die in de Koude Oorlog in een huifkar van Antwerpen naar Moskou reisde, gaat het over een „koude stad” en de winter. Zomaar een zin daaruit: „Het was putje winter, en we hadden geen geld…”

„Ik ben nieuwsgierig, en ik sprak voor mijn verhalen altijd het liefst gewone mensen die iets buitengewoons hebben meegemaakt. Van deze familie kwam ik een foto tegen in ”Het aanzien van 1964”. Vader, moeder en vijf kinderen: een heel gezin wilde letterlijk vanuit het westen van Europa naar het oosten toe, van Antwerpen naar Moskou, om een vredesteken te brengen. Eerst hadden ze de VS al doorkruist, van west naar oost. Met een simpel vervoersmiddel. In een tijd dat iedereen dacht dat alle Amerikanen in grote sleeën reden, en leefden in rijkdom en comfort, reisde deze familie in een huifkar. De kinderen moesten onderweg gaan kijken in een ziekenhuis, een verzorgingstehuis, een slachthuis – ze moesten de echte wereld leren kennen, voorbij alle beeldvorming. Een fantastisch project. Ik hoop dat iemand hier nog eens een documentaire over maakt, zo’n missie is weer actueel.”

Halverwege de jaren 80 sprak Hertoghs de Nederlandse historisch geograaf Jan Buisman, van wie in 1984 het boek ”Bar en Boos – zeven eeuwen winterweer in de Lage landen” verscheen. Sindsdien verzamelt hij knipsels over de winter. Het viel Hertoghs op hoe mensen zich vanaf ongeveer het jaar 2000 meer en meer tegen de winter keerden. In kranten kwam hij berichten tegen als ”Hoe werkt dat: het warm krijgen in de winter?” en ”Eerste hulp bij wintertemperaturen”. Bij bevroren schoolpleinen vroegen ouders aan de directie om zout te strooien voor de veiligheid van hun kinderen. IJs op de speelplaats hoort blijkbaar niet meer bij winterpret.

„In oudere knipsels kwam ik niet zo’n zeur- en klaaghouding tegenover de winter tegen als nu. Toen las je bijvoorbeeld: ”Welkom koning Winter” – en dat was in de tijd dat mensen maar één verwarmde kamer in huis hadden, en enkel glas. Juist in deze comfortabele tijd, terwijl de winter afkalft en verdwijnt door het veranderende klimaat, gaan allerlei alarmsignalen af bij een beetje vorst. Ik zou het haast onverdraagzaamheid willen noemen tegenover dit ene seizoen.”

Hoe komt dat, denkt u?

„Ik denk dat mensen moeite hebben met dat ongeregelde. De maatschappij draait om ”just in time”: vrachtwagens, dagen, gezondheid: alles wordt getimed, gemeten, gecontroleerd. We willen 10.000 stappen zetten, want dat is gezond. IJs, sneeuw, aangevroren mist, regen en vorst zorgen voor onvoorspelbaarheid. Dat staat de gestroomlijnde maatschappij in de weg.

Drie normale winters zijn er geweest, tussen 2009 en 2013, er viel wat sneeuw. En opeens begon men de kosten te berekenen van zo’n dag met fileleed. Dat vond ik heel bijzonder, dat de universiteit van Leuven uitrekende wat het werkverlet kostte, hoe duur het was als mensen te laat kwamen op afspraken, als de vrachtwagens niet op tijd konden leveren.

„Mijn boek is vooral bedoeld als een ode, een liefdesbetuiging richting de winter”

Jan Hertoghs, schrijver

Maar bij een hittegolf, waar de landbouw, verzorgingshuizen en astmapatiënten onder lijden, waarbij je files hebt naar de kust en de treinen richting het strand overvol raken, heb ik de kosten nooit berekend zien worden.

Mijn drijfveer voor dit boek is dus ook wel ergernis over die ongelijke behandeling van zomer en winter. Maar: het is vooral bedoeld als een ode, een liefdesbetuiging richting de winter.”

Voor uw werk zocht u de sneeuw ook op; soms was het levensgevaarlijk. Uw vrouw en baby waren er in 1987 bij toen u met de auto in een greppel strandde.

„In Maine en Noord-Finland heb ik de winter en de sneeuwstorm bewust opgezocht, voor een reportage. Maar toen ik met mijn vrouw en de baby van zes maanden onderweg was, gingen we naar een weekend met studievrienden in de Ardennen. Ik wist de weg, en we wilden een paar kilometer omrijden om iemand te bezoeken. Natte sneeuw ging over in een sneeuwstorm; we gleden een greppel in. We hoorden de bomen knappen in het bos naast de greppel. Dat was een angstaanjagende gebeurtenis – hier besefte ik hoe verraderlijk sneeuw en wind kunnen zijn. Ik heb de auto achtergelaten om hulp te zoeken. Ik besefte de ernst: wat als ik dat ene huis niet kan vinden en wat als ik dan ook de auto niet meer kan terugvinden? Maar zelfs die benarde avond heeft mijn winterliefde niet doen afnemen.”

U draagt uw boek op aan uw kleinkinderen. Hebben zij weleens een sneeuwpop gemaakt?

„Ze zijn nog heel klein! De oudste is nog geen vijf jaar, en de andere wordt pas in januari drie, en de jongste is twee maanden. De oudste is met zijn vader en oom naar de Ardennen geweest, hij mocht achter op de slee. Maar hij vond dat wel koud, en lang duren. Ze moesten hem een stukje dragen, heb ik gehoord.”

U fotografeert al 15 jaar sneeuwpoppen. Waarom?

„Ik had 6000 foto’s van alles wat met sneeuw te maken heeft, maar nog niet zoveel sneeuwmannen, dus die moesten er wel bij. Ik woon midden in Antwerpen, hier zijn ze zeldzaam, dus elk exemplaar telt. Wat ik mooi vind, is om te letten op de gebruikte attributen. Ik ben altijd wel benieuwd wat voor spullen kinderen tegenwoordig gebruiken. Ooit zag ik een sneeuwman met een neus en mond van wortel en twee preien als armen.

Ik gebruik trouwens het ouderwetse woord sneeuwman, sneeuwpop klinkt ons hier nogal Hollands in de oren, en ook klein – sneeuwmannen zijn vaak groot.

Verder, dat korte bestaan van de sneeuwpop, dat spreekt mij aan. Ik fotografeer ook de smeltende sneeuwmannen. Die holle ogen… Dat vergankelijke hoort ook bij sneeuw.”

In uw boek staan wat zinnen die haast Bijbels aandoen. Zoals deze: „In Nederland is ijs kostbaar. Nederlanders zijn Bijbelser (dan Belgen, CvdH). IJs houdt een heilsbelofte in. Het is water waarover je kan lopen.” En: „Sneeuw die ooit water was en tot water terug zou keren.” En: „Alles sterft, alles is vergankelijk, aan alles komt een eind. Maar er komt toch geen eind aan de zon en de maan, of aan de seizoenen?”

„Heel eerlijk… Heilsbelofte vond ik gewoon een mooi woord, dat iets wonderlijks belooft, ik gebruik het vooral literair. In de roman ”Sneeuw van Hem” schrijft Koos van Zomeren over hoe kou en liefde kunnen samengaan. Wat hij daar schrijft, is blijkbaar in mijn onderbewuste blijven hangen, het werd een kerngedachte in mijn boek.

Ik ben geen Bijbelkenner, toch kom ik tot die zinnen – dat komt wellicht deels door mijn katholieke opvoeding. Mijn ouders waren beiden rooms-katholiek, mijn vader was in zijn vrije uren koster in de kerk.

Bij ons had je Aswoensdag, en als misdienaar en kerkbezoeker hoorde ik hoe mensen „tot stof en as terugkeren”. Ik weet zelf niet hoe dit er in mijn hoofd aan toegaat, hoe ik van sneeuw op stof en as kom en dan terugkeer naar ijs en water.”

Over vergankelijkheid gesproken: hoe hoopvol bent u, voor deze aarde?

„In januari word ik 73 en ik heb wel wat winters meegemaakt. Dus in dat opzicht ben ik tevreden. Maar hoe het in de toekomst zal verlopen? Mijn verwachtingen zijn al zo bijgesteld dat ik tevreden ben als er in dit seizoen één week echte winter voorkomt, waarin we een beetje ijs en sneeuw zien en de kinderen zich kunnen amuseren.

„De winter hoor je in je eigen tuin, je straat en op de speelplaats bij de school te zien”

Jan Hertoghs, schrijver

Dat ik hier tevreden mee ben, vind ik tegelijk erg, want het is zo pragmatisch, en zonder hoge verwachtingen. Ik vergelijk dit met vogelliefhebbers die een zeldzame vogel gaan bekijken: „Daar en daar moet je heen om hem te zien!” Zo is het ook met de winter aan het gebeuren. De winter is als een zeldzame vogel geworden. Winterliefhebbers zeggen tegen elkaar: „Er ligt sneeuw in de Ardennen, daar moet je heen, of in de Hoge Venen, ga snel kijken” – dat is het pijnlijke, dat de winter een vluchtig verschijnsel is geworden. En verder hoor ik dat schoolklassen in het buitenland gaan skiën. Alsof de winter alleen in het buitenland bestaat. De winter hoor je in je eigen tuin, je straat en op de speelplaats bij de school te zien.”

Boekomslag met daarop een foto van een kind met muts en slee. 

Kind zonder winter

Jan Hertoghs 

Tzara

205 blz.

€ 22,99