BinnenlandSuriname 50 jaar onafhankelijk

Verdeeld Suriname op eigen benen gezet

Suriname werd een halve eeuw geleden onafhankelijk, maar lang niet alle Surinamers waren daar blij mee.

Twee mannen zetten handtekening.
De premiers Den Uyl en Arron tijdens de ondertekening van de onafhankelijkheidsverdragen in Paramaribo op 25 november 1975. beeld Nationaal Archief

Op 25 november 1975 ondertekende koningin Juliana het soevereiniteitsverdrag. Ze deed dat in aanwezigheid van vicepremier Van Agt. Premier Den Uyl was er niet bij: hij was met prinses Beatrix en prins Claus in Suriname om er de viering van de onafhankelijkheid mee te beleven. Ze waren er getuige van dat gouverneur Ferrier werd beëdigd tot president.

Daags tevoren was de Nederlandse vlag gestreken. En nog drie dagen eerder was het standbeeld van koningin Wilhelmina weggehaald van het Oranjeplein, dat voortaan Onafhankelijkheidsplein heette.

Suriname –Nederlandse kolonie sinds 1667– had al veel zelfstandigheid gekregen toen in 1954 het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden van kracht was geworden. Dat Nederland nu verder wilde gaan, kwam voor een deel uit de koker van PvdA’er Den Uyl. „Hij vond het gewoon onfatsoenlijk om koloniën te hebben”, zei minister De Gaay Fortman later. „Dat zat in zijn persoonlijkheid, het was nogal doctrinair bepaald: een volk heersend over een ander volk, dat moest je niet willen.” Het streven Suriname op eigen benen te zetten was ook een –vergeefse– poging om de massale emigratie van Surinamers naar Nederland een halt toe te roepen.

Hindoestanen en Javanen vreesden door Creolen te worden overheerst

Verdeeldheid

Suriname was verdeeld over onafhankelijkheid. Veel Hindoestanen en Javanen waren ertegen, omdat ze vreesden dat ze door de Creolen zouden worden overheerst. Die tegenstellingen waren er ook in Nederland: in Den Haag woonden veel Hindoestanen, in Amsterdam veel Creolen, en dat bepaalde het sentiment.

Mannen met witte helmen in de nacht, met touwen van de vlaggenmasten in hun handen.
In de nacht van 24 op 25 november 1975 om 00.00 uur werd in Paramaribo de Nederlandse vlag gestreken en ging de Surinaamse vlag in top. Na 308 jaar als kolonie en overzees gebiedsdeel. beeld ANP

Toen premier Arron aangaf naar onafhankelijkheid te streven, namen in een paar jaar tijd 70.000 Surinamers de wijk naar Nederland. Daarmee raakte Suriname bijna een vijfde deel van haar bevolking kwijt.

In Suriname werden branden gesticht en er was zelfs een mislukte moordaanslag op premier Arron. Pleidooien voor een referendum vonden echter geen gehoor. Zowel de Nederlandse als de Surinaamse regering wilde de onafhankelijkheid doorzetten.

Tegenstemmers

In Nederland stemden slechts vijf Tweede Kamerleden tegen: die van SGP en GPV. GPV-fractiemedewerker Van Middelkoop schreef later over zijn fractievoorzitter: „Ik kan mij nog goed herinneren hoe moeilijk Jongeling het ermee had om tegen de onafhankelijkheid van Suriname te stemmen. Vergeet niet, het waren de nadagen van de dekolonisatie. Je moest dwars tegen de stroom in als je tegen wilde stemmen. Maar ik herinner me nog bijna letterlijk hoe hij zei: „Ik ben zo bang dat het daar fout gaat en dan weet ik me medeverantwoordelijk.””

„Het heeft ons gespeten dat wij met het GPV, gezien de schamele garanties voor een gunstige afwikkeling, ons vertrouwen en dies onze stem niet konden geven aan de wet ter beëindiging van de statutaire band”, schreef SGP-fractieleider Abma. „In de Eerste Kamer stond de heer Meuleman (de SGP-senator, LV) niet alleen; van de twaalf leden van de fractie van de VVD stemden er tien tegen.”

Twee mannen leunen op tafels.
Onderonsje tussen de Surinaamse premier Arron en zijn Nederlandse evenknie Den Uyl in mei 1975 in Paramaribo. beeld Nationaal Archief

De SGP was niet tegen de onafhankelijkheid, zei woordvoerder Van Rossum. „Als een volk in meerderheid zelfstandig wil worden, kan je niet zeggen: je mag niet. Dat is precies hetzelfde als dat je een kind dat de leeftijd en de mogelijkheden heeft, verbiedt te gaan trouwen. Dat doe je toch ook niet.” Maar het ging volgens de SGP te overhaast. Enkele jaren uitstel zouden gebruikt kunnen worden om de economische weerbaarheid en zelfstandigheid van Suriname op een hoger peil te brengen en de scherpe kantjes van de grote rassentegenstellingen af te slijpen.

Van Rossum wees erop dat een op de drie Surinamers werkloos was. En vanwege de verdeeldheid in het land was niets anders „te verwachten dan chaos”. Ook voor Jongeling was dat een struikelblok: „Indien er één zaak was die schreeuwde om een nationaal kabinet dat zijn kracht zou zoeken in hechte samenwerking, dan deze zaak. Zo’n kabinet werd echter niet gevormd. In felle polarisatie heeft een krappe meerderheid besloten de onafhankelijkheid van Suiname op 25 november 1975 te proclameren.” Zonder goede voorbereiding.

„Vermetel om landen naar onze namen te noemen”

Ds. H.G. Abma, SGP-fractieleider

Vermetelheid

De trein was echter niet meer te stoppen. „Suriname vaart wel. Vaart wel met God!” schreef ds. Abma nadat het besluit was gevallen. Over het koloniale verleden was hij kritisch: „Stellig hebben onze voorgeslachten niet vlekkeloos gehandeld. Ongeoorloofd vertrouwen op aardse goederen en op veelheid van rijkdom hebben ons in Suriname gebracht. In die context past de vermetelheid om landen naar onze namen te noemen, zoals Psalm 49 mede zegt.”

Uitbreiding van commercie was in het kolonialisme doorslaggevender dan verbreiding van Gods Woord. „Zaken gingen voor de zeden”, concludeerde ds. Abma. Echter: „God zij dank zijn er in Suriname offers geïnvesteerd in relatie tot de Evangelieverkondiging.”

Document met rood lakzegel.
Handtekeningen van koningin Juliana en onder anderen de ministers Den Uyl, Van der Stoel en Van Agt onder de onafhankelijkheidsverklaring van Suriname. beeld ANP, Robin van Lonkhuijsen

Suriname kwam op eigen benen te staan, al was het met miljarden guldens aan financiële steun vanuit het moederland. Sindsdien bestaat het koninkrijk alleen nog uit Nederland en de Antillen.

„Misschien had het allemaal wel wat voorzichtiger gekund”, stelde GPV’er Van Middelkoop 25 jaar later. „Een overgangsperiode van vijf jaar bijvoorbeeld, dat zou wijsheid van Den Uyl zijn geweest. Dan had Suriname langer gebruik kunnen maken van de Nederlandse discipline en expertise. Maar ik durf niet te zeggen dat het dan al met al beter zou zijn gegaan met Suriname. Dat is mij te speculatief.”