Kerk & religieInterview

Trots op de Nederlandse kerkgeschiedenis? Dat mag best, vindt prof. Selderhuis

Het ”Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis” was na bijna twintig jaar aan een opfrisbeurt toe. „Rond 2000 harkte men binnen de kerken peinzend de bladeren van de bloeitijd bij elkaar”, maar nu zijn er voorzichtige voortekenen van een nieuw seizoen.

Prof. dr. H.J. Selderhuis: „Veel mensen, ook in het buitenland, denken dat er in Nederland allemaal calvinisten woonden.” beeld RD, Anton Dommerholt

Eindredacteur prof. dr. H.J. (Herman) Selderhuis herinnert zich de kritiek bij de presentatie van het Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis in de Utrechtse Janskerk in 2006 nog goed. Er hadden geen vrouwen meegeschreven en het boek was te kerkelijk. „Terwijl ik vier vrouwen gevraagd had”, zegt prof. Selderhuis in de senaatszaal van de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA), waar hij hoogleraar kerkgeschiedenis en kerkrecht is. „Maar die wilden niet meedoen. Ja, dan kom je al snel bij mannen uit.”

In het deze donderdag verschenen vijfde, vernieuwde editie –nu in twee delen– is er wat dat betreft niets veranderd. Wel is er meer aandacht gekomen voor de maatschappelijke en politieke situatie waarin de kerk de eeuwen door verkeerde. De illustraties zijn vernieuwd en er is gebruikgemaakt van het nieuwste onderzoek. Zoals dat van dr. Jesse Spohnholz, die stelt dat het zogenoemde Convent van Wesel in 1568 nooit heeft plaatsgevonden.

Ook de kerkelijke ontwikkelingen van de laatste jaren zijn meegenomen: secularisatie, de inzet van kerken voor het klimaat en hun worsteling met het slavernijverleden.

Toch is het allemaal best kerkelijk gebleven.

Prof. Selderhuis: „We richten ons op de geschiedenis van de kerk als instituut, op de personen die daarin een rol hebben gespeeld, en op haar plaats in de samenleving. De kerk staat in het midden, zoals ze ook in het midden van de meeste steden en dorpen in Nederland staat.

Er is al veel literatuur over de levens van gewone christenen. Dat is niet verkeerd, maar er is ook behoefte aan een beschrijving van de geschiedenis van de kerken in één boek. Daar hebben we in willen voorzien.”

U schrijft in het voorwoord dat buitenlanders soms meer belangstelling lijken te hebben voor de Nederlandse kerkgeschiedenis dan wijzelf. Hoe komt dat?

„Ik vind dat heel opmerkelijk. De Nederlandse kerkgeschiedenis is fascinerend en wereldwijd van grote betekenis geweest. Denk aan de moderne devotie, aan Erasmus, aan de impact van de Reformatie, terwijl we geen eigen reformator hebben. De Gereformeerde Kerk werd de bevoorrechte kerk en toch kreeg de Rooms-Katholieke Kerk, die officieel verboden was, veel ruimte. En verder: de ontzuiling, de Joodse geschiedenis. In Amerika, Indonesië en Zuid-Korea zijn ze heel druk met Abraham Kuyper; dat is een fenomeen.

beeld KokBoekencentrum

Blijkbaar zien buitenlandse onderzoekers soms beter de waarde van de Nederlandse kerkgeschiedenis in dan de Nederlanders zelf. Voor ons is dat een aansporing om er ook wat mee te doen.”

We mogen dus wel wat trotser zijn op onze kerkgeschiedenis?

„Jazeker. We hebben prachtige kerkgebouwen en schitterende orgels. We hebben theologen voortgebracht die wereldwijd vertaald en gelezen worden. Daar mag je best trots op zijn.

Tegelijk is het de vraag: hoe gaan we ermee om? Ik hoop dat de herziene druk van dit handboek ook zorgt voor een hernieuwd besef van de rijkdom van de Nederlandse kerkgeschiedenis en het belang van de kerk voor de samenleving.”

Wat hebben seculiere Nederlanders aan een handboek kerkgeschiedenis?

„Alleen al om te begrijpen waarom er in een dorp twee kerken staan, een protestantse en een rooms-katholieke. Om te weten waar de christelijke politieke partijen vandaan komen, waaraan we als land onze vrijheid te danken hebben, wat de achtergrond is van onze wereldwijde faam om goed met verschillen om te gaan.”

Het verhaal begint bij de eerste Nederlandse christenen in de vierde eeuw en loopt tot de recente discussie over de rol van de kerk in het slavernijverleden. Is er een rode draad aan te wijzen?

„De kerkgeschiedenis bevat natuurlijk ook onderdelen waar we niet zo gelukkig mee zijn. Het is goed dat kerkhistorisch onderzoek daar meer aandacht voor heeft dan voorheen.

Een van de oudste kerken van Nederland staat in het Zuid-Limburgse Mesch, ten zuiden van Maastricht. Het schip van de Sint-Pancratiuskerk is (pre)romaans en stamt voor een deel uit de negende eeuw. beeld RD, Henk Visscher

De rode draad zou kunnen zijn dat christenen in Nederland altijd het belang van de kerk hebben ingezien. Als gebouw, maar vooral ook als gemeenschap. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het prachtige eerste hoofdstuk, geschreven door Frank van der Pol, over hoe de kerk vóór 1200 tot stand kwam.”

„De kerk in Nederland is ontstaan uit zendingswerk; dat mag ons best wat nederig maken”

Prof. dr. H.J. Selderhuis, kerkhistoricus

Die geschiedenis vormde de kerk zoals ze nu is. Welke gebeurtenissen springen er voor u uit?

„Allereerst dat de kerk in Nederland is gevestigd door zendelingen uit het buitenland. We zijn ontstaan uit zendingswerk. Het Evangelie is ons van buitenaf gebracht. Dat mag ons best wat nederig maken.

beeld KokBoekencentrum

Wat er voor mij ook uitspringt, is de grote variatie binnen de protestantse kerken, de kerk van de Reformatie. Bij alle verschillen van mening en discussies is er eenheid in het geloof. Tegelijk heeft de kerk op bepaalde momenten, zoals bij de Synode van Dordrecht in 1618-1619, ook duidelijk uitgesproken: Dit zijn de grenzen.

Wat de Rooms-Katholieke Kerk betreft, is het opmerkelijk dat ze zich de eeuwen door heeft weten te handhaven en weer tot bloei is gekomen. Veel mensen, ook in het buitenland, denken dat er in Nederland allemaal calvinisten woonden. Toch was tot in de vorige eeuw ongeveer de helft van de bevolking rooms-katholiek.

Wat ook opvalt, is de snelle teloorgang van het kerklidmaatschap en de plaats van de kerk in de samenleving. George Harinck en Lodewijk Winkeler eindigen daar hun hoofdstuk over de twintigste en eenentwintigste eeuw mee: „Rond 2000 harkte men binnen de kerken peinzend de bladeren van de bloeitijd bij elkaar. De verstrengelde, maar kale kruinen van kerk en samenleving staken kaal af tegen de lucht. Niets wees erop dat een nieuw seizoen hun wachtte.””

„De TUA had vorig jaar vijftig nieuwe studenten, een record, nu veertig”

Prof. dr. H.J. Selderhuis, kerkhistoricus

Nu, 25 jaar verder, zijn er allerlei berichten van jongeren die de kerk toch weer weten te vinden. Hoe hangt de vlag er nu bij?

„Dit is een handboek kerkgeschiedenis, hè? Dan kun je niet te veel zeggen over de toekomst. Tegelijk zie ik ook wel dat er meer belangstelling is voor het Evangelie, voor de boodschap van de kerk. Hier in Apeldoorn blijkt dat uit de enorme groei van het aantal studenten. Vorig jaar vijftig, een record, en nu veertig nieuwe inschrijvingen. We moeten weer gaan verbouwen, anders kunnen al die mensen geen colleges volgen.

Toch is voor veel mensen de stap naar de kerk te groot. Al die belangstelling voor het Evangelie is mooi, maar op een gegeven moment kom je bij wat de Bijbel over de kerk zegt. Er is een gemeente nodig. Dat stelt ons de vraag of we nog wel up-to-date zijn, in lijn met de Schrift, in hoe we de dingen doen. Veel twintigers en dertigers zeggen: „Ik snap helemaal niks van wat de dominee zegt.” Onze boodschap zal goed zijn, maar onze taal is voor een groeiend aantal jonge mensen niet meer te volgen.

Dat moeten we ons aantrekken, zoals dat in de Reformatie ook gebeurde. Maarten Luther preekte in de taal van het volk. Hij luisterde eerst naar de mensen en vertaalde toen de Bijbel.”

U schrijft dat kerkgeschiedenis duidelijk kan maken om welke redenen mensen en kerken uit elkaar gingen én misschien kan helpen wegen te wijzen om kerken weer bij elkaar te brengen. Wat kan uw kerkverband, de diep verdeelde Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK), daarmee?

„Ik denk dat je veel van kerkgeschiedenis kunt leren. Het conflict tussen Luther en Zwingli over het avondmaal had er veel mee te maken dat er twee mensen tegenover elkaar stonden die qua karakter, afkomst, opleiding en nationaliteit heel verschillend waren.

Het schilderij ”Een stichtelijk uurtje in de Achterhoek” van Hendrik Valkenburg (1826-1896). beeld Museum Catharijneconvent

Zoiets speelde ook rond de Afscheiding in 1834. Ik zeg niet dat die mensenwerk was, maar ik kan me wel voorstellen dat gewone arbeiders de Nederlandse Hervormde Kerk als de kerk van de herenboeren zagen. Daarmee was de Afscheiding tegelijk ook een protestbeweging. Daarnaast speelde er een conflict tussen generaties. Jonge theologen riepen misschien wat al te enthousiast bepaalde dingen, terwijl oudere theologen zeiden: „Wie denk je wel niet dat je bent?” In zo’n conflict gaat het niet altijd om de feiten.

„De CGK waren van meet af aan een gemengd gezelschap”

Prof. dr. H.J. Selderhuis, kerkhistoricus

Misschien geldt dat ook voor de CGK. Als je ziet waar dit kerkverband vandaan komt, uit de Afscheiding, dan is het helemaal niet zo verwonderlijk dat er verdeeldheid is. Van meet af aan was de kerk een heel gemengd gezelschap.”

Dat besef brengt een oplossing niet direct dichterbij.

„Nee, maar in het licht van de kerkgeschiedenis is het misschien een minder grote ramp dan gedacht als kerken afscheid van elkaar nemen. Ja, verdeeldheid is erg, maar het gaat hier om een kerkverband, om de organisatie van de kerk. Niet om dé Kerk.”

Handboek Nederlandse kerkgeschiedenis, Herman J. Selderhuis (red.); uitg. KokBoekencentrum; 1224 blz.; € 79,99