MuziekStaccato

Docent op conservatorium noemde Gerrieke Verheij een „continuobeest”

Het was geen verrassing dat Gerrieke Verheij (33) uit Scheveningen voor de muziek koos. Met een vader die kerkorganist was en een broer die orgel studeerde, zit muziek in haar genen. Ze begon met blokfluit en deed daar later een studie barokcello bij. Maar blokfluit blijft haar eerste liefde.

Gerrieke Verheij. beeld RD, Anton Dommerholt

Aan de gezellige woonkamer in het Scheveningse huis, op een steenworp afstand van het strand, is niet direct te zien dat hier een musicus woont. Binnenshuis is Verheij dan ook vooral moeder; musiceren doet ze in de studio die in de tuin staat. Zo hebben haar drie zoontjes er geen last van als ze haar muziek oefent of een van haar dertig leerlingen lesgeeft.

1. Zet mij maar met een groepje op het podium, liever niet alleen.

„Absoluut. Ik houd van de interactie met andere musici. Het heeft ook te maken met de instrumenten die ik bespeel: blokfluit en cello. Daar is niet zo veel solomuziek voor geschreven, vooral veel kamermuziek. Ik speel wel solosonates uit de barok. Dan sta ik zelf in de spotlights, maar word ik gedragen door het continuo, de begeleiding, die achter me staat. Dat voelt niet als soleren. Die rol vind ik niet vervelend, zolang het om de muziek blijft gaan en niet om mij.

Het mooiste aan spelen in een ensemble vind ik als we muzikaal op dezelfde golflengte zitten. Dan hoeven we tijdens de repetitie niet af te spreken waar we hard en zacht spelen of waar we een ritenuto (vertraging, MvdS) nemen. Als je dat soort dingen met elkaar voelt, vind ik dat bijzonder. Dan pas ontstaat die magie, komen die kippenvelmomenten die muziek teweeg kan brengen. Je hoeft daarvoor niet per se goed naar elkaar te kijken, maar je hoort het aan de muziek. Zo’n sterke connectie heb ik niet met iedereen overigens. Het helpt om veel samen te spelen, maar dit zegt niet altijd alles.”

„Ik heb een keer met een organist gespeeld met wie ik nooit eerder musiceerde. Tijdens de repetitie, vlak voor het concert, ging het fantastisch. Ik kon alle kanten op; we zaten volledig op dezelfde golflengte. Maar de chemie van het samenspel tijdens het concert direct daarna was iets minder voelbaar. Goed op elkaar ingespeeld zijn is dus niet de enige manier.”

„Een docent op het conservatorium noemde me een continuobeest”

Gerrieke Verheij, blokfluitist en cellist

2. Cello en blokfluit zijn me beide even lief.

„Nee. Over het algemeen zijn de blokfluit en ik beter op elkaar ingespeeld. De cello voelt niet altijd als een verlengstuk van mezelf; bij de blokfluit weet ik precies wat ik aan hem heb. Misschien heeft dat er ook mee te maken dat ik met cello later begonnen ben, toen ik vijftien was. Met blokfluit startte ik toen ik zes was. Voordeel is wel dat ik met de cello meerdere rollen heb leren spelen. Het is een solo-instrument, maar ook een begeleider, een continuo-instrument. Dat begeleiden ligt mij dan wel weer. Een docent op het conservatorium noemde me een „continuobeest”. Je leert denken vanuit de bas en de harmonielijn en daar heb ik bij het blokfluit spelen voordeel van.

Uiteindelijk zijn cello en blokfluit beide een instrument, een middel om muziek te maken. Luisteraars moeten vergeten waar je op speelt. Wat ik zelf het mooiste vind, doet er niet toe.”

beeld RD, Anton Dommerholt

3. Ik voer liever een klassiek stuk uit dan dat ik met een amateurkoor meespeel.

„Af en toe vind ik het wel leuk om aan een zangavond mee te werken. Onlangs hadden we een muziekavond van onze gemeente waar ik cello speelde. Als ik een amateurkoor begeleid dat gedreven en enthousiast is, dan vind ik dat veel interessanter dan om een technisch correct klassiek stuk te spelen. Maar het moet wel goede muziek zijn. Soms speel ik minder interessante muziek en dan wordt het voor mijn gevoel ook niks. Ik moet er wel mijn ei in kwijt kunnen.

Ik voel me het meest thuis bij barokmuziek. De emoties worden daarin heel duidelijk vertolkt. In de barok is de affectenleer belangrijk: muzikale middelen die aan emoties zijn gekoppeld. Een voorbeeld: in de cantate ”Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit” van Johann Sebastian Bach (BWV 106) klinken in het openingsdeel twee blokfluiten die handenwringend in twee secundes (twee tonen die vlak naast elkaar liggen, MvdS) tegen elkaar aan schuren. Daarmee verbeeldt Bach de pijn van de dood. In cantate BWV 161 gaat het ook over het stervensuur, in die cantate is steeds „tak, tak, tak” te horen. Net een secondewijzer van een klok. Dat is voor mij duidelijke taal.”

4. Wat mijn leerlingen van me vinden, is belangrijker dan wat een muziekcriticus vindt.

„Ja, absoluut. Een muziekcriticus zal objectiever zijn, en het is goed om zo’n mening te horen. Maar een leerling staat veel dichter bij me en ziet veel meer dan een muziekcriticus kan zien. Leerlingen kijken ook naar mijn persoonlijkheid. Ik heb ongeveer dertig leerlingen. De jongste is 6 jaar, de oudste 80. Er zit van alles bij: beginner, gevorderd, blokfluit, cello, individueel en in een groepje. Die afwisseling vind ik leuk. De ene leerling wil graag veel spelen, een ander heeft interesse in een stukje theorie. Ik probeer daarop aan te sluiten. Met elke leerling heb ik een persoonlijke band.

„God geeft iedereen talenten en die gebruik je zo goed je kunt tot eer van Hem”

Gerrieke Verheij, blokfluitist en cellist

Lesgeven hangt er voor mij niet maar een beetje bij. Ik vind het mooi een leerling zijn eigen muzikale weg te zien vinden en bij hem of haar de liefde voor muziek aan te wakkeren. Lesgeven is bovendien leerzaam voor jezelf. Ik ben een intuïtieve speler, maar met lesgeven kun je niet zeggen: Ik doe dat zo omdat ik het zo voel. Je moet kunnen achterhalen waarom je iets voelt en op een bepaalde manier uitvoert. Het gevoel van een leerling kan helemaal anders zijn dan het mijne. Dat geeft niet, als de muziek maar met overtuiging wordt gebracht.”

5. Met zo veel onderscheidingen op zak is het moeilijk bescheiden te blijven.

Verheij zet spontaan het liedje ”’t Is moeilijk bescheiden te blijven” in. Met een lach: „Ze zijn op één hand te tellen, dus dat valt wel mee.” Dan, serieuzer: „Het is natuurlijk leuk om beloond te worden voor je werk. Ik vind het altijd een bevrijdende gedachte dat het om de muziek gaat, niet om mij. Het gaat erom de boodschap van de componist goed over te brengen. Natuurlijk blijft het altijd mijn interpretatie, maar het is de eerste taak van een musicus om alle informatie te halen uit de bladmuziek en eventuele andere bronnen die de componist je geeft.

Bovendien: de een is goed hierin en de ander daarin. God geeft iedereen talenten en die gebruik je zo goed je kunt tot eer van Hem.”

6. In mijn spel klinkt door dat ik christen ben.

„Dat vind ik een lastige. Het zou mooi zijn als ik daar ja op kon zeggen. Maar ik denk dat het niet veel verschil maakt. In soloconcerten of met ensembles speel ik veelal wereldlijke muziek: sonates en suites. In religieuze muziek kan ik me voorstellen dat een oprecht godsvertrouwen door kan klinken in een uitvoering. Pas heb ik bijvoorbeeld meegespeeld in de cantate ”Was Gott tut, das ist wohlgetan” (BWV 100). Misschien dat je dat vertrouwen daarin hoort. Aan de andere kant ben je als musicus een soort acteur. Elke emotie moet zo echt mogelijk overgebracht worden.

Een van de keuzes die ik als christen maak, is dat ik geen concerten geef op zondag. Daar ben ik vanaf het begin zwart-wit in geweest. Binnen mijn ensembles krijg ik daar ook respect voor. Maar het zorgt er wel voor dat ik bijvoorbeeld niet met veel grote orkesten kan meespelen; die concerten zijn vaak op zondag. Eén keer heb ik meegewerkt aan een cantatedienst, maar dat doe ik ook niet meer. Dan ben je zomaar de halve zondag weg.”

7. De tijd die ik in muziek steek, gaat soms ten koste van mijn gezin.

„Het is eerder andersom. Ik geef bewust niet zo veel concerten, omdat het met jonge kinderen lastig is om overdag te repeteren. Als de jongste slaapt, studeer ik wel eens met de babyfoon aan. Maar dat zijn maar kleine brokjes studietijd. ’s Avonds kan het wel, maar dan geef ik vaak les. Als ik een concert heb, kunnen familie en anderen gelukkig regelmatig oppassen.

Onze zoons vertonen tot mijn blijdschap ook tekenen van muzikaliteit. Mijn middelste zoon zingt heel graag. ’s Avonds gaat hij lang door met zich in slaap zingen. Zijn broer, die bij hem op de kamer ligt, wordt er weleens gek van, haha.

Van lesgeven en concerten geven krijg ik veel energie. Het is voor mij daarom belangrijk dat ik dit kan blijven doen. Zo kan ik een blije moeder zijn van mijn kinderen.”

In Staccato reageren musici op een aantal stellingen.