ConsumentTuinieren

Over boeken en ontluikende tuinliefde

De liefde voor tuinieren begon met plaatjes kijken in tijdschriften en apps. De romanticus in mij veerde op bij verstilde tuinen in septembermist, berijpte grassen en bochtige paadjes tussen het groen. Ik vergaapte me aan met schapenhek afgezette kruidentuinen. Glanzende groenten in moestuinbakken. Geurende kamperfoelie, pluizige clematis.

Junituin met bloeiende hosta, clematis en nepeta. beeld Getty Images

Ik begon te dromen over zalmroze papavers van doorschijnend crêpe. Een eettafel onder een appelboom. Lupine, Zeeuwse knoop. Een berk en een fluwelige kweepeer. Want ja, wat is een tuin zonder bomen?

Misschien, bedenk ik nu, ontluikte de tuinliefde nog eerder. Ze begon met een geschiedenis over een betoverende tuin, de hof van Eden. Later kwamen er andere verhalen bij, zoals ”De geheime tuin”, klassieker van Frances Hodgson Burnett. Een citaat daaruit, vrij vertaald: „O, de dingen die gebeurden in die tuin! Als je nooit een tuin hebt gehad, begrijp je het niet en als je een tuin zou hebben gehad, zou je weten dat je een heel boek nodig hebt om alles wat hier voorviel, te beschrijven.”

C.S. Lewis schrijft over een wirwar van bloeiende krentenboompjes, seringen, wilde rozen en rododendrons.

In ”Het neefje van de tovenaar” van de Britse apologeet en kinderboekenschrijver C.S. Lewis staat een passage over de schepping van fantasieland Narnia. „Ze stonden op fris groen gras, bezaaid met madeliefjes en boterbloemen. Een klein eindje voor hen uit, langs de oever van de rivier, groeiden wilgen. Van achteren werden ze ingesloten door een wirwar van bloeiende krentenboompjes, seringen, wilde rozen en rododendrons.” (Je haalt toch meteen je plantenschep en gieter tevoorschijn, als je zoiets leest?)

Tot zover de idylle. Want in een tuin die niet op papier staat, haalt de werkelijkheid al snel de droom in. Dat geldt in elk geval voor ons stuk grond. We plantten jonge bomen (ja, ook een berk en een ouderwetse kweepeer), maar die zijn niet zomaar volwassen. De begeerde lupine zette ik op een plek die vanaf april compleet in de schaduw lag van een rij aangrenzende eiken. Dat werkte slecht. Omdat voorzaaien ook niet mijn sterkste kant is, kocht ik dit jaar stekken. Nu durf ik voor het eerst te hopen op een border vol bloeiende lupine (Lupinus).

Bloeiende lupine. beeld Getty Images

Op de schaduwrijke plekken kwam hosta. De planten groeiden op en bloeiden sneeuwwit, maar de slakkenplaag van 2024 maakte een einde aan het sprookje. De aangeschafte geitenbaard (Aruncus dioicus), waarvan ik dacht dat die goed zou combineren met het vlezige hostablad, stond veel te droog, namelijk daar waar eiken en hagen het beschikbare regenwater opzogen.

Je leert het meest van fouten maken, dus ach, het geeft allemaal niets. Inmiddels beleven we het zesde tuinseizoen op deze plek. Soms lijkt een stuk border ineens een beetje op wat we in gedachten hadden. Dan durven we te denken dat het heus wel iets wordt. Sommige siergrassen zijn intussen manshoog. Brandkruid (Phlomis russeliana) bloeit citroengeel en rond de berk glorieert op dit moment de statige ereprijs Veronicastrum virginicum ”adoration”, een cultivar van de bekende tuinontwerper Piet Oudolf. Een andere favoriet is de perzikkleurige vlasleeuwenbek (Linaria ”peachy”), een luchtige plant die een zonnige, droge en niet al te beschutte plek vraagt.

Veronicastrum virginicum ”Adoration”. beeld Getty Images

Een paradijs zal de tuin hier op aarde wel nooit worden. Maar alleen al het feit dat knoppen zwellen en openbarsten, is een scheppingswonder. Of zoals ”De geheime tuin” het omschrijft: magisch.

Na een drukke week wenkt de tuin. Eunice Hoekman schrijft erover.