Apostolicum staat met reden centraal bij sacramenten

De apostolische geloofsbelijdenis vertolkte van oudsher het geloof van de dopeling (of zijn ouders). De opstellers van het doopformulier hebben zich bewust aan deze traditie gehouden. Foto: doopvont hersteld hervormde gemeente Nieuwerkerk (Zeeland). beeld RD, Anton Dommerholt

Het geloof, zoals verwoord in de Twaalf Artikelen, tilt ons boven de hang naar innerlijkheid uit en leert ons, met het doopformulier, onze zaligheid „buiten onszelf” te zoeken. Het heft onze harten opwaarts, naar Christus, zoals het avondmaalsformulier beklemtoont.

Aan ouders die een kind ten doop houden, wordt in het gereformeerde doopformulier gevraagd of zij belijden dat de leer „die in het Oude en Nieuwe Testament en in de Artikelen van het Christelijk geloof begrepen is (...) de waarachtige en volkomen leer der zaligheid” is. Het verbaast ons misschien dat hier niet méér gevraagd wordt, bijvoorbeeld instemming met de Heidelbergse Catechismus of de Nederlandse Geloofsbelijdenis. De apostolische geloofsbelijdenis vertolkte echter van oudsher het geloof van de dopeling (en in het geval een kind gedoopt werd, dat van zijn ouders) en de opstellers van het doopformulier hebben zich bewust aan deze traditie gehouden. Ook wordt instemming met de Twaalf Artikelen niet als een minimum gezien. Het is immers het reddende („zaligmakende”) geloof dat in deze artikelen wordt beleden.

Het is de vraag of dat altijd zo wordt beleefd. De geloofsbelijdenis heeft haar plaats in de liturgie behouden, maar in de meeste gevallen wordt zij voorgelezen door de dominee. Zelfs het „amen” waarmee de gemeente ermee instemt, wordt aan de voorganger overgelaten. Ook in de persoonlijke geloofsoefening functioneren de Twaalf Artikelen nauwelijks.

Vader en Schepper

Ooit was dat anders. De oorsprong van de Twaalf Artikelen ligt in de doopbelijdenis van de kerk van Rome, die al vroeg een oriëntatiepunt voor de wereldkerk was. Van daaruit zijn ze, met name voor de westerse christenheid, als samenvatting van het christelijk geloof gaan functioneren. In de kerk van het Oosten vervult de geloofsbelijdenis van de kerkvergadering van Nicea deze rol (met een aanvulling door een latere kerkvergadering die in Constantinopel werd gehouden).

De oudst bekende vorm van de apostolische geloofsbelijdenis stamt uit de derde eeuw na Christus. Zij was toen korter dan de Twaalf Artikelen zoals wij die nu kennen. De woorden „Schepper van de hemel en de aarde” zijn toegevoegd. In de belijdenis van God als „Vader” lag oorspronkelijk ook besloten dat Hij Vader van alle dingen, dus Schepper was. Vergelijk dit met het „Vader der lichten” uit de Jakobusbrief (1:17). Later, toen men „Vader” vrijwel uitsluitend als „Vader van Jezus Christus” ging horen, vroeg de gedachte dat Hij ook de Schepper van hemel en aarde was om nadere verduidelijking.

Ook dat Christus is „nedergedaald ter helle” en dat de kerk de „gemeenschap der heiligen” (of de „gemeenschap aan de heilige dingen”, de sacramenten) is, zijn latere toevoegingen. Het Apostolicum zoals we dat nu kennen, stamt uit ongeveer 800 na Christus.

Belijdenis herhalen

Het was zoals gezegd oorspronkelijk een doopbelijdenis. Wie tot het christelijk geloof overging, moest voordat hij gedoopt werd antwoord geven op vragen als: „Geloof je in God de Vader, die de hemel en de aarde gemaakt heeft?” „En in Jezus Christus, zijn eniggeboren Zoon, die voor ons geleden heeft?” enzovoort. „En in de Heilige Geest”, Gods levenwekkende adem? Als de dopeling daarop met „ja” had geantwoord, werd hij gedoopt.

Nadat hij gedoopt was, moest hij de belijdenis die hij bij het dooponderricht had geleerd voor de aanwezigen opzeggen en hij werd geacht dit dagelijks voor zichzelf te herhalen. Zo werd men dagelijks aan God en Christus herinnerd en leefde men bij zijn geloof, in blijde en verdrietige dagen, los van hoe men zich voelde, want daarin ligt de zaligheid niet. Die ligt enkel in God en in de Christus die Hij ons heeft gegeven.

Degenen die als kinderen gedoopt waren, leerden hun belijdenis achteraf. Maar iedere christen, of hij kon lezen of niet, werd geacht zijn belijdenis te kennen en voor zichzelf te kunnen opzeggen. En het is nog steeds aan te raden dat, liefst dagelijks, te doen. Hardop, ook als je alleen bent, zodat je het weer helder hebt: dit is de God in wie ik geloof, in wie wij geloven, als christenen door de hele wereld heen: de Schepper, die geen verre God is, onbereikbaar ergens in de hoge hemel, maar die in Christus in de wereld kwam om haar van zonde en dood te redden en die nog een keer zal terugkomen als Heere der heerlijkheid, om alle onrecht dat er nog ligt recht te zetten en ons eeuwig leven te geven. Bij deze, uit de oude kerk stammende geloofspraktijk sluit het doopformulier aan.

„Met mond en hart”

Ook in het avondmaalsformulier neemt de apostolische geloofsbelijdenis een belangrijke plaats in. In het gebed voorafgaande aan het avondmaal zegt de voorganger, nadat het Onze Vader is gebeden: „Wil ons ook door dit Heilig Avondmaal sterken in het algemeen ontwijfelbaar Christelijk geloof, waarvan wij belijdenis doen met mond en hart, sprekende.” Daarna sluit het gebed af met de Twaalf Artikelen, uitlopend op een „amen” dat meteen ook het hele gebed afsluit.

De woorden „met mond en hart, sprekende” laten zien wat de opstellers bedoelden, namelijk dat de gemeente, voor ze naar voren komt, „met mónd en hart” de geloofsbelijdenis uitspreekt, hardop „sprekende” dus, biddend om versterking van het geloof dat men op dat moment gezamenlijk belijdt. En met dat geloof dat men zojuist hardop had beleden, ging men dan aan het avondmaal. Probeert u het zich voor te stellen. Hier wordt liturgie wat liturgie moet zijn: articulering van de ontmoeting tussen God en zijn gemeente.

Dat de woorden „met mond en hart” ook werkelijk als liturgische regieaanduiding bedoeld zijn, blijkt uit het slot van het formulier, waar de lofzegging uit Psalm 103 met de woorden „en een ieder spreke in zijn hárt aldus” ingeleid wordt. Die lofzegging hoefde de gemeente dus niet mee te zeggen. De actieve deelname van de gemeente aan de liturgie beperkte zich tot de teksten die men als gelovige behoorde te kennen.

Calvijn liet de geloofsbelijdenis zíngen voor men communiceerde, waarna de voorganger de volgende woorden uitsprak: „Omdat we nu belijdenis van ons Geloof hebben gedaan om ons kinderen van God te betuigen, zullen wij Hem, hopend dat Hij ons als een goede Vader ook verhoren zal, bidden zoals hij ons geleerd heeft, zeggende: Onze Vader die in de hemelen zijt (enzovoort).” Ook hier dus deelname aan het avondmaal met het geloof dat men gezamenlijk „met mónd en hart” heeft beleden (zie Joannis Calvini, opera selecta II, München 1952, 45).

„Buiten onszelf”

Wij hechten aan een „schöne Seele” (zie Goethe, Wilhelm Meisters Lehrjahre, 6e boek: Bekenntnisse einer schönen Seele), een mooie innerlijkheid, waarmee we voor God en mensen kunnen verschijnen. Die Twaalf Artikelen geloven we wel, maar het eigenlijke (denken we erbij) is de beleving. Vandaar de behoefte aan persoonlijke getuigenissen in belijdenisdiensten, de tendens om het belijdend meezingen met Israël en de christelijke gemeente te vervangen door liederen die op onmiddellijke beleving zijn gericht, het verlangen naar een bewust beleefde doop.

Het geloof tilt ons boven die hang naar innerlijkheid uit. Het leert ons, met het doopformulier, onze zaligheid „buiten onszelf” te zoeken. Het heft onze harten opwaarts, naar Christus, die zijn leven voor ons wilde geven en die nu onze Voorspraak in de hemel is, „waarheen ons ook de artikelen van ons christelijk geloof wijzen”, zegt het avondmaalsformulier in alle eenvoud. Dan vergeten we onze mooie ziel en zijn we bij Wie we moeten wezen.

De auteur was legerpredikant namens de Nederlandse Hervormde Kerk en de Protestantse Kerk in Nederland. Dit artikel is gebaseerd op een lezing die hij op 20 augustus in Elspeet hield voor studenten van de Gereformeerde Bond. De gegevens in dit artikel over de oude kerk zijn grotendeels ontleend aan: J. N. D. Kelly, Early Christian Creeds, Londen 1972.