Schrijfster Els Florijn maakt mooie zinnen middenin geroezemoes

Romanschrijfster Els Florijn schrijft het liefst in een restaurant. „Met geroezemoes om me heen kan ik juist lekker werken.” beeld RD, Henk Visscher
4

Schrijven is voor haar een manier om de werkelijkheid aan te kunnen. Auteur Els Florijn (36) werkt bij voorkeur buitenshuis aan haar romans. In een druk restaurant bijvoorbeeld. Daar broedt ze soms minutenlang op één zin. „Ik hoop dat mensen net zo geraakt worden door een verhaal bij het lezen ervan als ik geraakt werd toen ik het opschreef.”

Florijn zit al klaar aan haar tafeltje, achterin het Van der Valkhotel ”De Biltsche Hoek” in De Bilt. Laptop voor de neus, boeken op tafel. „Ik ben hier vanochtend eerder naartoe gekomen, om vast wat te werken.” De schrijfster –mintgroene jurk met bloemen, klein zwart hakje– komt vaker in dit hotel. Schrijven doet ze namelijk het liefst in een drukke omgeving.

Waarom een restaurant?

„Ik vind dat lekker werken, met geroezemoes om me heen. Als ik thuis zit, denk ik er steeds aan dat ik nog moet stofzuigen of de was bijvoorbeeld nog moet doen. Hier wordt thee geserveerd en als ik wil, kan ik wat eten. In een restaurant heb je mensen om je heen, maar tegelijk is het onpersoonlijk. Ik observeer anderen graag. Daar leer ik altijd van. Soms luister ik stiekem mee met gesprekken. Verder kan ik me goed afsluiten van gepraat om me heen wanneer ik schrijf.”

Duikt er weleens een restaurantbezoeker als personage op in uw romans?

„In principe niet. Hoogstens als ik iemand zie met een interessant gezicht. Ergens verwerk ik natuurlijk wel wat ik om me heen zie. Maar niet zo direct dat ze terugkomen als personage.”

Alles past in één tas. beeld RD, Henk Visscher

Uw romans spelen zich af rond verschillende onderwerpen: de Tweede Wereldoorlog, vluchtelingen, familiegeheimen. Hoe doet u inspiratie op?

„Ik houd van bizarre verhalen. Vreemde feiten, vreemde gebeurtenissen. Er gebeuren zoveel wonderlijke dingen in deze wereld, daar kan ik met mijn verstand niet bij. Soms google ik erop, een andere keer loop ik zomaar tegen een bijzonder verhaal aan. Zo las ik eens een artikel op Facebook over een appartement in Parijs, wat me intrigeerde. Het zat een jaar in een vakje in mijn hoofd, tot ik het kon gebruiken voor mijn actieboek ”Zeeglas”.”

Hoe mondt zo’n idee uit in een roman?

„Voor een roman ga ik op onderzoek uit; ik betrek er andere boeken bij. En ik bedenk een hoofdpersoon. Soms past iemand al in het verhaal, dan gebruik ik bijvoorbeeld een personage dat ik al ken uit een ander eigen boek. Zo’n hoofdpersoon ontstaat gewoon. Het is iemand die fictief is, maar zomaar zou kunnen bestaan. Bijna een alter ego. Alsof ik mezelf een ander leven inschrijf.”

Waarom doet u dat?

„Het past bij mij. Leed kan onder je huid gaan zitten. Voor ”Het meisje dat verdween” (een roman over een Joods meisje dat alleen op transport naar Auschwitz wordt gezet, MR) zocht ik een van de meest trieste verhalen ooit uit. Alles druiste in tegen mijn gevoel van rechtvaardigheid. Zo’n verhaal trek ik me aan. Tegelijk vind ik: de schrijfwereld is een andere wereld dan de realiteit. Door een roman te schrijven, kan ik dat meisje alsnog een stem geven. Zodat ze niet vergeten wordt.”

Wat drijft u nog meer om te schrijven?

„Schrijven is mijn manier om de werkelijkheid aan te kunnen, die in te kaderen. Sinds ik kan schrijven, doe ik dat. De dingen worden er helder van. Ik vluchtte toen ik jong was al in boeken en eigen verhalen. Als kind was ik best eenzaam. Ik las graag en veel, was bezig met dingen die anderen niet interesseerden. Ik vroeg me bijvoorbeeld af wat er achter de sterren was of hoe lang de eeuwigheid zou duren. Die vragen verwerkte ik op een kinderlijke manier in mijn verhalen.

Nog steeds kan ik opgaan in schrijven. Ik houd van taal, van woorden die een beetje schuren. Die in de context niet verwacht worden. Soms denk ik lang na over één zin. Ik schrijf niet zo snel, maar wat ik op papier zet, hoeft niet vaak aangepast te worden. Als ik verder ga, lees ik eerst het gedeelte door dat ik al heb geschreven en pas ik het als dat nodig is aan.”

Hoeveel van uzelf komt er in uw boeken?

„Een boek bevat altijd iets van hoe ik de dingen beleef. In een roman stel ik me kwetsbaar op. Ik geef iets van mezelf prijs aan mijn lezers. Ik vind dat dat moet: je kunt jezelf niet buiten een boek houden. Als lezer proef je het als een auteur iets te doorworstelen heeft gehad. In mijn romans ga ik het gesprek met lezers aan.”

Is dat geen eenzijdig gesprek? U ziet de lezer niet als hij uw werk leest.

„Ik geef geregeld lezingen en dan spreek ik mijn lezers. Mensen reageren er op mijn boeken: ze zijn bijvoorbeeld geraakt door bepaalde passages. Of ze willen alles weten over de totstandkoming van een boek. Ik vind het niet erg om te vertellen wat er achter een boek zit.”

U bent belijdend christen. Hoe krijgt dit een plaats in uw boeken?

„Er zal nooit een vloek in mijn boek staan. Dat komt niet eens in me op. Maar ik heb geen bijzondere missie met mijn romans, behalve dat ik een verhaal wil vertellen dat lezers kan raken. Sommige mensen noemen mijn romans christelijke literatuur, anderen niet.”

U publiceert sinds uw debuutroman in 2003 met enige regelmaat romans, jeugdboeken en verhalenbundels. Waren er momenten in uw leven dat schrijven echt niet lukte?

„Als ik me echt in een onderwerp verdiep, kan ik altijd schrijven. De drang om te schrijven is de ene keer wel groter dan de andere. Dan moet ik echt mijn manuscript induiken en beginnen. Hoe ik me ook voel. Ik heb wel trucjes om de ideale omstandigheden te creëren. Door van tevoren bijvoorbeeld iets te lezen dat me aanspreekt. En soms drink ik een wijntje voor ik schrijf, meestal als ik ’s avonds een deadline moet halen. Dan sta ik wat meer open voor ideeën.”

Roman in wording. beeld RD, Henk Visscher

Naast auteur bent u leerkracht en heeft u een gezin. Hoe combineert u die taken?

„Het werk als leerkracht sluit aan bij dat van auteur. In het onderwijs ben ik ook verhalenverteller. Dit jaar gaf ik groep 8 en groep 6 les. De kinderen vonden het vooral leuk dat ik twee jeugdboeken geschreven heb.

Lesgeven, schrijven en een gezin runnen is druk. Mijn schrijftijd is beperkt. Ik reserveer één dag in de week om te schrijven. Dan heb ik drie, vier uur om wat te doen. Ik heb weinig organisatietalent. Tijdsdruk heb ik nodig, ik schurk vaak tegen de deadline aan. Op een goede dag schrijf ik 4000 woorden, maar er zijn ook dagen bij dat ik maar honderd woorden schrijf. Ik ken dat gevoel van een knipperende cursor op een leeg scherm. Alles wat ik opschrijf, lijkt op zo’n moment raar. Dan vertoon ik schrijf-ontwijkend-gedrag: ik ga artikelen lezen of zoek nieuws op. Het beste werkt het om dan toch te beginnen. Als ik de tekst later teruglees, valt het soms best mee. Waar deed ik nou moeilijk over, denk ik dan.”

Als u terugkijkt naar uw eerste roman, ”Laatste nacht”, wat is er dan veranderd in uw manier van schrijven?

„Er zit behoorlijk wat sentiment in mijn eerste boeken. Ik had de grote filosofen gelezen –soms maar twee bladzijden– en dan dacht ik dat ik er iets van wist. Dat sentimentele ben ik gedeeltelijk kwijtgeraakt. Als ik ”Laatste nacht” nu zou schrijven, zou ik dat anders doen. Maar die roman is een afspiegeling van hoe ik toen was.

In de tijd van mijn debuutroman schreef ik alles met de hand. Vervolgens werkte ik het uit op een oude laptop: als ik de stekker eruit haalde, ging hij meteen uit. Mijn teksten stuurde ik op floppy’s naar mijn redacteur. Voor mijn eerste romans deed ik minder research. Bij de romans die in het verleden spelen, zoals ”Rode papaver” en ”Het meisje dat verdween”, deed ik dat veel meer.”

In 2020 komt er een nieuwe roman van u uit. Hoever bent u daarmee?

„Ik ben halverwege met schrijven. Voor ik begon, heb ik veel bedacht en doordacht. Uiteindelijk lopen dingen anders dan ik in gedachten had. De roman zal gaan over een krankzinnigengesticht, eind negentiende eeuw. Ongelooflijk wat er in die tijd in krankzinnigengestichten gebeurde. Op dit onderwerp ben ik ook zomaar gestuit, door het lezen van een krantenartikel.”

Voor wie schrijft u uiteindelijk? Voor de lezer of voor uzelf, als uitlaatklep?

„Beide. Ik wil een verhaal vertellen en ik wil het mooi vertellen. In dat verhaal zit mijn persoonlijke zoektocht. Ik hoop dat mensen van mijn romans genieten, dat ze net zo geraakt worden door een verhaal bij het lezen als ik geraakt werd toen ik het opschreef. Het verhaal blijft iets van mijzelf, maar door het op te schrijven kan ik het met anderen delen. Dat is kwetsbaar, maar zo krijg je verbinding.”

Krabbels in het notitieboekje. beeld RD, Henk Visscher

Els Florijn

Els Florijn (1982) groeit op in Scherpenzeel. Ze volgt na de middelbare school de pedagogische academie en is docent in het basisonderwijs.

Haar schrijfcarrière begint als ze in 2002 een schrijfwedstrijd van Uitgeverij Kok, Kampen en het Reformatorisch Dagblad wint. Een jaar later publiceert ze haar debuutroman ”Laatste nacht”, die in 2011 een herdruk beleeft.

Haar tweede roman, ”Schaduw van de wolf” (2006), wordt genomineerd voor de Publieksprijs Christelijk Boek. In 2010 wint Florijn de prijs met haar roman ”Het meisje dat verdween”.

Behalve romans schrijft Florijn kinderboeken en werkte ze mee aan verhalenbundels. Ze woont met haar man en kinderen in Bilthoven.

serie Schrijverschap

In een vierdelige serie interviews vertellen schrijvers en dichters over hun vak. Over twee weken deel 4 (slot): dr. A. van de Beek.