Cultuur & boekenPoëzie

Arie Maasland kruipt in nieuwe bundel in de huid van Bijbelse personen 

Hij schrijft het liefst ambachtelijk. Dat betekent voor hem: strenge regels voor zijn verzen. Dat sommigen zijn gedichten daarom wegzetten als traditioneel, kan dichter Arie Maasland (49) steeds minder schelen. Recent verscheen zijn vierde bundel, ”Weerspiegeld”.

Man met bril, bruine coltrui en spijkerbroek staat bij een raam met een boekje in zijn handen. In het raamkozijn staan een djembé en wat exotische voorwerpen.
beeld RD, Anton Dommerholt

Hoe voelde David zich toen Saul hem wilde doden? Wat ging er door de vrouw heen die de voeten van Jezus waste en ze afdroogde met haar haren? In zijn vierde dichtbundel, ”Weerspiegeld”, kruipt Maasland in de huid van bekende en minder bekende mensen uit de Bijbel.

De gedichten zijn bedoeld om je als lezer aan te spiegelen. Anders dan eerdere bundels heeft ”Weerspiegeld” geen duidelijk pastorale strekking. Dat zit hem onder meer in de keuze voor de personages: ook de dwaze bouwer krijgt een gedicht, iemand die bepaald geen voorbeeldfiguur is. Maasland heeft dat bewust gedaan. „Ik wil niet moralistisch zijn, maar wel een boodschap overdragen. Wat die boodschap is, mag de lezer in deze bundel meer dan ooit zelf bepalen.”

Waar komt het idee voor deze bundel vandaan?

„Ik wilde graag gedichten schrijven vanuit het perspectief van Bijbelse personages. Mijn bedoeling was om in ieder gedicht een gelaagdheid te leggen, om zo te schrijven dat een lezer van nu zich erin kan inleven. Het moesten geen standaard pastorale gedichten worden. Dat zijn vrome geloofsuitingen. In mijn bundel zitten ook gedichten vanuit het perspectief van personen die helemaal niet voorbeeldig zijn.”

Hoe verhoudt deze bundel zich tot uw eerdere werk?

„Ik zou niet willen zeggen dat mijn vorige bundels prekerig waren. Wel hebben de gedichten in mijn vorige bundel, ”Alleen Uw liefde laat mij leven”, een duidelijker strekking. De bedoeling blijft in deze bundel implicieter. Poëtisch bezien vind ik dat eigenlijk sterker. Ik wil niet zeggen dat ik nu beter ben dan toen ik die eerdere bundel schreef, maar bij dit concept voel ik me wel beter thuis.”

In de bundel staan Bijbelse figuren centraal. Door over hen een gedicht te schrijven, geeft u uw eigen interpretatie aan een Bijbelverhaal. Kan dat wel?

„Ik probeer inhoudelijk aan te sluiten bij het Bijbelgedeelte, maar de betekenis voor de lezer nu is voor mij belangrijker. In het gedicht over David, ”Wachten op God”, bedoel ik niet te zeggen dat David het allemaal zo gedacht heeft over Saul. Ik weet natuurlijk niet wat er door hem heen gegaan is. In die zin is het projectie. Maar je zou kunnen zeggen: Dit gedicht verwoordt de mogelijke gedachten van iemand die voor een ethisch dilemma wordt geplaatst. Dat werd David ook: hij kon Saul vermoorden, of dat niet doen. Impliciet is de vraag dan aan de lezer: Wat zou jij doen als je in zo’n situatie zat? Eigenlijk is het de toepassing van het Bijbelgedeelte.”

„Doorgaans krijg ik een idee voor een gedicht als ik een klik heb met een Bijbelgedeelte”

Arie Maasland, dichter

In de bundel staat ook één gedicht vanuit het perspectief van de Heere Jezus. Daarin blijft u dicht bij de woorden van Psalm 22. Is dat een bewuste keus?

„Ja. Ik ben terughoudend om me in Jezus te verplaatsen. Tegelijk heb ik zinnen in dat gedicht gezet die niet in Psalm 22 staan. Dat kon ik doen omdat Psalm 22 vaak expliciet wordt toegepast op Goede Vrijdag. Bijvoorbeeld „hun spijkers gingen mij door merg en been”. Dat staat niet in Psalm 22, maar ligt wel in het verlengde van wat er op Goede Vrijdag gebeurde.”

Hoe heeft u de selectie gemaakt van Bijbelse personen over wie u een gedicht wilde schrijven?

„De bundel is organisch ontstaan. Doorgaans krijg ik een idee voor een gedicht als ik een klik heb met een Bijbelgedeelte. Dat gebeurt tijdens het Bijbellezen. Ik kom dan op het idee hoe ik het verhaal uit de Bijbel kan koppelen aan de lezer van nu; de clou die ik in het gedicht kan leggen. Die clou is een gedachte, die ik vervolgens verwoord tot een kernzin, meestal de laatste zin van het gedicht. Daarmee werk je toe naar een climax. Als de slotzin de slapste zou zijn, gaat het gedicht als een nachtkaars uit. Een goed gedicht moet een soort uitsmijter bevatten.”

Welk gedicht uit deze bundel vindt u persoonlijk het meest geslaagd?

„Een van de gedichten die er voor mij uitspringen is ”Verstomd”, dat voor in de bundel staat. Dat ligt ook aan de vorm. Ik heb een sonnet gekozen, een moeilijke versvorm van veertien regels met een min of meer vast rijmschema. Ook het gedicht ”De lege straat”, gebaseerd op Hooglied, vind ik poëtisch geslaagd (zie ”De lege straat”). Je kunt het op verschillende manieren lezen: als een romantische tekst, maar ook met een geestelijke lading. In het laatste geval gaat het over iemand die God heeft verwaarloosd en daar nu spijt van heeft. Om die ambiguïteit in de tekst te leggen, heb ik er bijvoorbeeld voor gekozen om ”zijn” in de laatste regel niet met een hoofdletter te schrijven.”

Bij het lezen van uw bundel moest ik denken aan ”Adam zaait radijzen”, de in 2011 verschenen bundel van Rikkert Zuiderveld. Heeft u als dichter voorbeeldfiguren?

„Ik heb door de tijd mijn eigen stem ontwikkeld, maar ik vind dat Rikkert echt heel knap schrijft. Als ik iemand moet noemen die nu leeft, van wie ik denk: ik probeer zoiets te doen als wat hij doet, dan is het Rikkert. Hij is heel goed in versvorm en heeft een combinatie van lichtheid, humor en diepzinnigheid. Die elementen probeer ik ook in sommige van mijn gedichten te stoppen. Ik voel me daarnaast redelijk verwant aan Jacqueline van der Waals. Zij gebruikte traditionele versvormen en schreef toegankelijk, maar ook diepgaand. Als het puur om de vorm gaat, kan ik altijd genieten van J.C. Bloem – ”het regent en het is november”.” Met een grijns: „Vroeger had ik een wat melancholische inslag. Tegenwoordig wat minder, maar van zo’n gedicht over eindeloze regen in de herfst kan ik wel genieten.”

„Ik stel er een eer in om een gedicht stilistisch te laten kloppen, ook qua vorm”

Arie Maasland, dichter

Hoe typeert u uw stijl?

„Allereerst: ambachtelijk. Daarmee neem ik een risico, want dat kan een beetje stijf klinken. Maar ik vind ambacht heel belangrijk. Ik stel er een eer in om een gedicht stilistisch te laten kloppen, ook qua vorm, metrum en rijmschema. Verder vind ik gelaagdheid belangrijk, dat een gedicht meer is dan wat er staat. „Lees maar, er staat niet wat er staat”, zei de dichter Martinus Nijhof. Dus ik denk dat mijn stijl zich typeert in drie woorden: ambachtelijk, gelaagd en levensbeschouwelijk. Ik wil niet meer preken, maar mensen wel tot nadenken stemmen.”

U bent voorganger geweest. Heeft die ervaring u geholpen bij het maken van uw poëzie?

„Ja. Ik heb hbo theologie gestudeerd. Daarmee groeien je exegetische vaardigheden. Dat inzicht in de Bijbel kon ik weer gebruiken in mijn gedichten.”

Is er wel een beetje markt voor poëzie? Veel mensen vinden gedichten maar moeilijk.

„Dat gaan we zien; ik weet de verkoopcijfers nu nog niet. Je hebt wel een punt dat het genre niet heel populair is. Daarom heeft mijn uitgever ook zijn best gedaan er een toegankelijke bundel van te maken. Of ik mezelf een pleitbezorger van poëzie in christelijke kring voel? Nee. Het zou natuurlijk mooi zijn als wat ik schrijf mensen motiveert om poëzie te lezen. Maar ik schrijf allereerst gedichten omdat ik het zelf een mooi genre vind.”

Wanneer ontdekte u eigenlijk dat u goed was in dichten?

„Ik weet niet of ik daar bewust achter ben gekomen. Ik had gewoon de drang om gedichten te maken. Dat begon al op de lagere school. Via meester Henk Koesveld, bekend auteur van kinderboeken, hoorde ik in groep 5 voor het eerst een gedicht: ”Denkend aan Holland”, van Hendrik Marsman. Dat vond ik toen al mooi. Ik kan me herinneren dat ik op mijn 12e zelf gedichten ging proberen te schrijven. Ik weet nog dat toen ik 9 was mijn zus een keer een gedicht las dat ik voor een surprise gemaakt had. Ze kon niet geloven dat ik het had geschreven. Dus de vaardigheid of gevoeligheid voor rijmen en makkelijk kunnen formuleren, die zaten er altijd wel in.

Overigens kreeg ik in het begin vooral afremmende feedback op mijn gedichten. Ze zouden te traditioneel zijn. Ik heb een tijdje geprobeerd het anders te doen, maar dat werkte niet. Het heeft me goed gedaan dat ik de RD-wedstrijd ”Schriftberijmingen” gewonnen heb in 2014. Dat was een anonieme beoordeling, en mijn gedicht kwam bovendrijven op grond van kwaliteit. Dat was een verademing voor me. Ik dacht: zie je wel, ik kan echt wel wat. Nu hoef ik mezelf niet meer zo te bewijzen. Ik heb gewoon de drang om creatief te zijn.”

In een eerdere bundel bedankt u uw vrouw specifiek. Hoe belangrijk is zij bij de totstandkoming van een gedicht?

„Zij is de eerste meelezer en een heel goed klankbord. Ze heeft een goede smaak. Als zij een opmerking maakt over een gedicht, zit daar vaak wat in. Maar als ik niet getrouwd was, zou ik nog gedichten schrijven. Misschien nog meer, haha.”

Boekomslag met een abstracte weergave van een veelkleurige lucht. In het midden staat de titel van het boek en erboven de auteur. 

Weerspiegeld. Bijbelse gedichten

Arie Maasland

uitg. De Banier

66 blz.

€ 12,50