Schotse avondmaalgangers begrepen hoe kostbaar de ziel is
De Schotse vromen begroetten elkaar rond de avondmaalbediening niet met „Hoe gaat het met je?” maar met „Hoe is het met je ziel vandaag?” Zo’n zielenvraag geeft te denken.

Ongelooflijk. Het is al meer dan vijftig jaar geleden, maar het staat me nog scherp voor de geest. Twee zussen en hun mannen (onder wie ikzelf) zwierven enkele weken lang door het Schotse land. Het landschap onder de septemberzon was adembenemend. Maar het was vooral de kerkhistorie die in hoge mate de reisdoelen bepaalde.
Het hebben van een ziel maakt de mens tot mens
In Inverness nodigde een ouderling van de Free Presbyterian Church ons thuis uit. Hij raakte niet uitgepraat over de Schotse geloofshelden van weleer. Op het eiland Harris and Lewis maakten we de meerdaagse communion season (avondmaalbediening) mee. Gelovigen van de Highlands and Islands zoeken elkaar bij die gelegenheid op. Wat bleek? De Schotse vromen begroetten elkaar niet met „Hoe gaat het met je?” maar met „Hoe is het met je ziel vandaag?” Zo’n zielenvraag geeft te denken.
Het hebben (of zijn?) van een ziel maakt de mens tot mens. De eeuw is in zijn hart gelegd (Prediker 3:11). Hij is geschapen naar Gods beeld. Begiftigd met besef van goed en kwaad. Oorspronkelijk aangelegd op zijn Schepper. Bestemd tot Zijn dienst en de eer van Zijn Naam.
Alle tijden door is er veel nagedacht over het Bijbelse fenomeen de ziel. Voor de kerkvader Augustinus is zij het innerlijke, geestelijke centrum van de mens; zij is het waardoor de mens denkt, wil en God kan kennen. „Heere, U hebt ons met het oog op U geschapen. Onrustig is ons hart, totdat het rust vindt in U, o God!” De reformator Calvijn noemt de ziel „het onsterfelijke, maar geschapen wezen dat het edelste deel van de mens is”. Ruim een eeuw later schrijft de puriteinse prediker Watson: „De ziel is de roem en glorie van de schepping. Ze is goddelijk en wonderlijk. De ziel is Gods huis, dat Hij gemaakt heeft om daarin te wonen. Het verstand, de wil en de hartstochten zijn het huissieraad waarmee dit huis versierd is. Wat jammer is het dat dit goddelijk gebouw verwoest en aan de duivel verhuurd is. Jezus Christus heeft een hoge prijs op de ziel gesteld. Hij moest sterven opdat de ziel zal leven.”
Die Schotse avondmaalgangers hadden begrepen waar het echt om gaat. „Hoe is het met je ziel vandaag?” Onze ziel is een kostbaar ding. We kunnen haar maar één keer verliezen. Dat is dramatisch. De Bijbel zelf geeft alle reden om het zo hoog op te nemen. „Wat baat het een mens”, aldus de Heere Jezus, de Mond der waarheid, in Mattheüs 16:26, „zo hij de hele wereld wint en schade lijdt aan zijn ziel?” Schade aan je ziel kan het verlies van je leven betekenen. Tot in de eeuwigheid toe zelfs.
De schrijver van de brief aan de Hebreeën voert een ander pleidooi. Hij gaat er zijn lezers zelf in voor. Zonder enige zelfverheffing getuigt hij: „Wij zijn mensen die geloven tot behoud van hun ziel” (Hebreeën 10:39). Geloven? Ja, in Hem die Zijn eigen ziel heeft uitgestort in de dood. Opdat mijn ziel zou leven. Zo dringt die vraag van toen nog steeds tot een antwoord. Gesteld aan m’n naaste, bij gelegenheid. Maar allereerst aan mijzelf: „Hoe is het met mijn ziel vandaag?”
De auteur is christelijk gereformeerd emeritus predikant.
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Welbeschouwd








