Barbara kocht een kerk uit waardering voor de christelijke traditie: „Het is goed dat ik vooraf niet wist wat me te wachten stond”
Gelovig is tandarts en beeldend kunstenaar Barbara van Dijk (59) niet. Haar Zeeuwse grootouders namen al afstand van de kerk. „Geloof is iets wat je ontvangt. Ik heb het niet gekregen, maar probeer wel een goed mens te zijn.”

Ze was negen jaar toen haar ouders zich in Ovezande vestigden, een dorpje in de Zak van Zuid-Beveland. Na haar studie tandheelkunde trad ze in dienst van defensie. Aanvankelijk was Van Dijk verbonden aan de legerplaats in het Duitse Seedorf. Na opheffing daarvan zette ze haar werk voort aan de Koninklijke Militaire School in Weert.
Het was haar moeder, ook beeldend kunstenaar, die haar in 2009 attendeerde op het middeleeuwse kerkje van Ovezande. „Ze had er een expositie en hoorde dat de eigenaars het van de hand wilden doen. „Zou jij het niet kopen?” vroeg ze. Dat vond ik geen goed plan, maar het begon toch te kriebelen. Ik heb het gedaan vanuit mijn waardering voor de christelijke traditie. Die vormt het fundament van Nederland. Dat wat mensen voor jou hebben opgebouwd, immaterieel en materieel, dient gekoesterd te worden.”

Aanvankelijk kwam ze alleen in het weekend en de vakanties naar Ovezande. Ze betrok de uitbouw aan de achterzijde van het kerkje, ooit een zaaltje voor verenigingsleven en een kleine consistorie. De zaal bouwde ze om tot ontvangstruimte en woonkeuken. De vide erboven doet nu dienst als woonkamer en atelier, de zolder boven de consistorie als slaapkamer. In 2019 verkocht ze haar woning in Weert om zich volledig in Ovezande te vestigen.
Het in verval geraakte kerkje liet ze grondig restaureren door lokale ambachtslieden. Het houtwerk van het dak is hersteld, de leien aan de zuidzijde werden vervangen, een drainagesysteem gaat verval door vocht tegen, er kwam nieuw stucwerk op de muren en het plafond, de lambrisering werd vervangen, de banken en raamkozijnen kregen een nieuwe verflaag. „De betonnen laag voor in de kerk heb ik laten vervangen door kerkdallen van hardsteen. Die vond ik bij iemand in Wijk bij Duurstede.”
Ze maakte gebruik van het restauratieplan dat al was gemaakt door de burgerlijke gemeente. Uiteindelijk vergoedde de Rijksoverheid 45 procent van het bedrag dat als onderhoudskosten werd gezien. Dat kostte de artistieke tandarts wel hoofdbrekens. „Het is goed dat ik vooraf niet wist wat me te wachten stond. Zowel de gemeente als de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed hield ik op de hoogte van alles wat ik deed, maar een deskundige beweerde achteraf dat bepaalde aanpassingen zo niet hadden gemogen.”
Mede dankzij ondersteuning van de gemeente Borsele kwam het uiteindelijk allemaal op zijn pootjes terecht, maar de onzekerheid bezorgde haar slapeloze nachten. Het reguliere onderhoud gaat door. „In 2010 zijn de gootklossen vernieuwd, twee jaar geleden is alles opnieuw geschilderd. Daarvoor heb ik geen subsidie aangevraagd, om sores te voorkomen. Het Van Damorgel, volgens kenners een parel, verkeert gelukkig in goede staat.”
Het kerkje staat nu bekend als Wit Arjaentje. Het dankt die naam aan het enige fresco dat bewaard bleef, een afbeelding van de heilige Adrianus met zijn voet op een leeuw en een zwaard en schild in de handen. Het fresco kreeg een plek in het portaal achter de toren, net als een portret van oud-burgemeester Dirk Mulder van Ovezande. Het voormalige gebedshuis kan worden gehuurd voor recepties, trouw- en rouwdiensten. De tandarts en beeldend kunstenaar wil er ook een galerie en portretstudio van maken voor het exposeren van eigen werk en dat van anderen. „Op die manier wordt de kerk op vaste tijden toegankelijk voor geïnteresseerde bezoekers.”
Ondanks alle investeringen beschouwt ze zichzelf niet als eigenaar, maar als een schakel in de keten van mensen die zorg droegen voor het kerkje. „Ideaal is deze oplossing niet. Zo’n monument hoort van de hele gemeenschap te zijn. Het is een risico als het onderhoud in handen van één persoon is.” Ze wil Wit Arjaentje nalaten aan Erfgoedvereniging Heemschut. „Daar is het hopelijk in goede handen. Ik vind het een voorrecht dat ik nu mag bijdragen aan het behoud van dit erfgoed. Het heeft me veel gebracht, in de vorm van bijzondere ontmoetingen en boeiende verhalen van dorpsbewoners. De waarde daarvan is niet in geld uit te drukken.”















