Mens & samenlevingHet Gesprek

ChristenUnie-Kamerlid Don Ceder zag vrienden afglijden in de criminaliteit: „De kerk is mijn redding geweest”

beeld Eran Oppenheimer

Don Ceder (36) groeide op in een omgeving waar het criminele circuit aan hem trok. Het ruige leven in de Bijlmer vormde hem, maar de aantrekkingskracht van de kerk waar hij als puber binnenkwam bleek sterker. „Ik ben Kamerlid omdat Christus mij gered heeft.”

Nee, geen taartje en geen koffie. Don Ceder heeft een tijd van gebed en vasten, zoals altijd aan het begin van een nieuw jaar. Dan houdt hij afstand van wat afleidt en neemt hij extra tijd voor stille tijd. En dus bestelt hij alleen een muntthee in de koffiebar in de Bijlmer waar het interview met het ChristenUnie-Kamerlid plaatsvindt.

Ceder werd groot in de Amsterdamse wijk en woont er nog steeds. „De Bijlmer legde de bouwstenen voor mijn leven”, vertelt hij.

Was het een fijne plek om op te groeien?

beeld Eran Oppenheimer

„Ik heb een hele fijne jeugd gehad. Nu, achteraf, realiseer ik me dat de omstandigheden niet normaal waren. Armoede en criminaliteit waren dagelijkse realiteit. Als ik naar school ging, liep ik met een boog om drugsverslaafden heen die op straat lagen. Als mensen me iets aanboden, bedankte ik vriendelijk. Toen wist ik niet anders. Voor mijn tiende had ik tal van drugsdeals op straat gezien. Ik heb een pistool in mijn handen gehad – niet om er iets mee te doen, maar om het van anderen te bekijken. Ik zag veel onrecht: alcoholmisbruik, criminaliteit, armoede, verslaving, een overheid die geen zorg droeg voor mensen.”

Was u alleen toeschouwer van dat onrecht of had u er ook zelf mee te maken?

„Zelf ben ik –op wat kattenkwaad na– altijd langs de zijlijn blijven staan, maar wel geregeld ooggetuige geweest. Vrienden en familie werden meegezogen de criminaliteit in. Ik heb geluk gehad, al noem ik het liever genade, dat mijn moeder mij voor veel heeft behoed. Ze was streng. Vroeger begreep ik niet altijd waarom ik op tijd thuis moest zijn. Of dat ik een boek moest lezen of huiswerk maken als vrienden naar buiten gingen. Maar door haar bescherming had ik later een veilige plek om op terug te vallen. Dat gold niet voor iedereen.

„Je zult bij mij altijd een zekere empathie horen richting jongeren die drugs uithalen; ik had het ook kunnen zijn”

Don Ceder, Kamerlid ChristenUnie

Je levenspad wordt gevormd door de omgeving waarin je verkeert. Elke jongen is op zoek naar voorbeeldfiguren die je helpen man te worden. In mijn omgeving waren weinig positieve rolmodellen. Mensen op wie je wilde lijken verdienden veel geld, maar wel in de criminaliteit. Zolang je geen alternatief voorgeschoteld krijgt en geen veilige thuisbasis hebt, is de onderwereld niet zozeer een keuze, maar een onvermijdelijk pad. Jongeren die drugspakketjes halen uit containers in de havens van Rotterdam zijn in mijn ogen niet alleen dader, maar ook slachtoffer. Ik ben zeker voor keihard optreden en normeren, maar je zult bij mij ook altijd een zekere empathie horen richting deze jongeren. Omdat ik mezelf in hen herken. Ik had het ook kunnen zijn.”

Wat maakte dan dat u niet afgleed in de criminaliteit?

„De kerk is mijn redding geweest. Daar ontmoette ik mannen die lieten zien hoe je als christen verantwoordelijkheid neemt. Voor mij was dat nieuw. Ik klampte me vast aan die voorbeelden, zoals de voorganger van destijds: een man die wist wie hij was en wat hij wilde, maar zijn identiteit baseerde op het feit dat Christus hem gered had. Ik besef heel goed dat de Heer de hand in mijn leven heeft gehad. Dat ik op de juiste momenten de juiste mensen heb ontmoet, waardoor ik mij realiseerde dat er ook andere levenspaden mogelijk zijn. In die tijd speelde de gedachte al door mijn hoofd om de advocatuur in te gaan. Dankzij de kerk vond ik de moed om die stap te zetten.”

Hoe kwam u in de kerk terecht?

„Ik kom niet uit een christelijk gezin. Mijn moeder groeide op in Ghana in een moslimfamilie en mijn vader hield zich bezig met Surinaamse voorouderverering. Op een gegeven moment bekeerde mijn moeder zich en werd ze na een roerig leven actief in de kerk. Met frisse tegenzin ging ik weleens mee.

Tot een goede vriend van mijn moeder, een oud-drugsverslaafde die later voorganger werd, mij meevroeg naar zijn kerk. Puur uit beleefdheid deed ik dat, maar ik ben er nooit meer weggegaan. Met de preek had ik niks, maar er waren veel jongeren. Met eigen ogen zag ik de herstellende kracht van het Evangelie. Drugsverslaafden die tot geloof kwamen. Criminelen die hun oude leven achter zich lieten. Prostituees die een nieuw leven met Jezus begonnen. Dát was mijn kerk. Op mijn zeventiende ben ik zelf ook tot bekering gekomen.”

Hoe ging dat?

„In een dienst klonk de oproep een keuze te maken. Niet vooral je eigen leven leiden en vragen of God dat zegent, maar op zoek gaan naar Gods pad en in afhankelijkheid leven van Hem. Voor die tijd bad ik wel, maar ik was vooral bezig met mijn eigen ideeën. Mijn leven veranderde na die keuze. De Heilige Geest maakte mij een nieuw mens. Hij heeft goede werken voor mij klaargelegd, waarin ik mag wandelen, zoals in Efeze 2:10 staat. Ik ging anders kijken naar mezelf, de wereld, het onrecht om me heen en mijn rol daarin. Zonder mijn bekering was ik waarschijnlijk geen advocaat of politicus geworden. Omdat ik van het koninkrijk van de duisternis ben overgeplaatst naar het Koninkrijk van het licht, wil ik als ambassadeur van dat Koninkrijk de herstellende kracht van het Evangelie weerspiegelen.”

„De theologiestudie heeft me zelfverzekerder gemaakt om over mijn drijfveren als christen te spreken”

Don Ceder, Kamerlid ChristenUnie

Drie jaar geleden ging u theologie studeren. Waarom?

„Uit liefde voor het Woord van God. Ik wilde de Bijbel beter begrijpen. De theologiestudie heeft me geleerd woorden te geven aan christelijke politiek en zelfverzekerder gemaakt om te spreken over mijn drijfveren als christen. De laatste tijd word ik steeds vaker uitgenodigd om in kerken voor te gaan.

beeld Eran Oppenheimer

De combinatie van studeren en het Kamerlidmaatschap ging me redelijk makkelijk af. Maar na de geboorte van mijn dochter in de zomer van 2024 heb ik de studie op een laag pitje moeten zetten. Ik heb wel de premaster afgemaakt en ben ook aan de master begonnen, maar dit jaar heb ik me niet opnieuw ingeschreven.”

Nog even terug naar die rolmodellen. Miste u zelf ook een vaderfiguur doordat u bij uw moeder opgroeide?

„Ik was nog jong toen mijn ouders uit elkaar gingen en in mijn omgeving waren niet veel gezinnen waar een vader wel fysiek thuis aanwezig was. Het voelde daarom voor mij als een normale situatie. Pas later ben ik mij gaan realiseren dat ik als jongen wel degelijk op zoek was naar een aanwezige vaderfiguur. Mijn vader is op een gegeven moment naar Suriname verhuisd. Ik heb altijd goed contact gehouden en ook zijn liefde ervaren. Hij was echter niet thuis. En ook mijn vader was in zekere zin een man van de straat.”

In de Tweede Kamer vroeg u vorig jaar aandacht voor stabiele relaties en gezinnen. Speelde uw eigen ervaring met het opgroeien in een gebroken gezin daarin een rol?

„Als ik nu terugkijk, weet ik dat een afwezige vader mij als jongen wel degelijk in een identiteitscrisis bracht. Ik was op zoek naar houvast. Mijn moeder heeft geweldig werk gedaan, maar als jongen had ik ook een vaderfiguur nodig. Als je die thuis niet vindt, zoek je het op straat. Dat zie ik ook terug bij anderen. De overheid heeft onvoldoende oog voor de impact van gebroken gezinnen op de maatschappij. Veel kinderen in de jeugdzorg hebben bijvoorbeeld een vechtscheiding meegemaakt. Momenteel ben ik bezig met een nota over vaderschap – een taboe in de politiek. Het is belangrijk dat de overheid erkent dat kinderen behoefte hebben aan positieve mannelijke voorbeeldfiguren. Niet alleen in het gezin; ik pleit bijvoorbeeld ook voor meer meesters in de klas.”

Hoe vindt u het om nu zelf vader te zijn?

„Geweldig. De vaderrol zit in mij, ontdekte ik toen ik zelf een kind kreeg. Als rolmodel wil ik aanwezig zijn in mijn gezin. Dat is niet altijd makkelijk. Heel cynisch gezegd: het Kamerlidmaatschap is dermate ongezond dat het eigenlijk zeer onverstandig is om ernaast een gezin te hebben. De Kamer is een burn-outfabriek. Om die reden wil de ChristenUnie dat het parlement wordt uitgebreid. We moeten elkaar niet gek maken. Zelf neem ik tijdens recessen zoveel mogelijk afstand van de politiek. Wat ook helpt, is dat ik de zondagen probeer vrij te houden en tijd heb voor de kerk en mijn gezin.”

Vorige week moest u het reces nog onderbreken voor een debat over Venezuela.

„Ik had dat debat nota bene zelf aangevraagd. Het lukt dus niet altijd om de politiek buiten de deur te houden. Nu was er serieus wat gaande en dat begrijpen ze thuis ook.

De afgelopen jaren zijn genoeg Kamerleden gestopt omdat het werk ten koste ging van hun gezin. Ik wil dat niet, maar dat vraagt wel discipline en jezelf begrenzen. In de fractie maken we daarom scherpe keuzes welke debatten we wel en niet doen. En in de avonden laat ik vergaderingen vaker lopen dan voorheen.”

beeld Eran Oppenheimer

U bent bijna vijf jaar Kamerlid. Op de verkiezingsavond afgelopen november zult u gedacht hebben: het is voorbij.

„Het was inderdaad spannend, want de hele avond stonden we op twee zetels. Het Kamerlidmaatschap kan je identiteit worden, daar hebben we het weleens over in de fractie. Wie ben je nog als je niet meer in de politiek zit? De verkiezingsdag was een test voor mij. Natuurlijk baalde ik voor de club, maar terwijl ik naar de uitslag keek, dacht ik ook: oké, dan gaan we andere dingen doen. In mijn hoofd was ik de voordelen al aan het opsommen: meer tijd voor thuis, misschien een lange reis maken met het gezin en mijn theologiestudie weer oppakken. Het liet mij zien dat ik gelukkig een gezonde verhouding met het Kamerlidmaatschap heb opgebouwd. Bij de verkiezingen twee jaar geleden had ik daar denk ik anders in gestaan.”

„Zelf ben ik op de verkiezingsavond vroeg gaan slapen. Ik zei: „Heer, als U wilt dat ik wat anders ga doen, dan doe ik dat””

Don Ceder, Kamerlid ChristenUnie

Het was nu misschien zelfs een opluchting als u kon stoppen?

„Ik zag hoe mensen hoopten dat het goed zou komen. Zelf ben ik vrij ontspannen naar huis gegaan en vroeg gaan slapen. Ik bad: „Als U wilt dat ik wat anders ga doen, dan doe ik dat. En als U wilt dat ik doorga, dan moet U wel wat gaan regelen.” Ik heb die nacht goed geslapen. De volgende ochtend keek ik op mijn telefoon: toch drie zetels! Toen heb ik de knop omgezet: „Dan gaan we dat doen, Heer.””

Had u een plan B? Weer aan de slag als advocaat?

„Nee hoor, er zijn veel dingen die ik leuk en belangrijk vind. Ik zou me dan rustig gaan oriënteren.”

Als advocaat richtte u zich op mensen die problemen hebben met incassobureaus. Waarom die doelgroep?

„Ik wilde mensen helpen die geen geld hadden om een groot advocatenkantoor in de arm te nemen. Al tijdens mijn rechtenstudie begon ik samen met mijn neef het bedrijf Anti Incasso. Als je een rekening niet op tijd betaalt, kunnen daarvoor kosten worden gevorderd. Bedrijven maakten daar misbruik van, het werd een verdienmodel. Voor sommige mensen was ik hun laatste hoop. Ik heb een zaak meegemaakt waarin de rechter onverbiddelijk was voor een moeder van wie het huis ontruimd zou worden, omdat ze de huur niet meer kon betalen. Die vrouw had net een operatie ondergaan, dus ik ben gaan helpen het huis leeg te halen, want anders zou de ontruimingsdienst alles weggooien.”

Zulke mensen kunnen toch geen advocaat betalen?

„Nederland kent gesubsidieerde rechtsbijstand waarvoor de overheid een vergoeding geeft. Dat bedrag ligt veel lager dan de gemiddelde uurprijs van een advocaat. Als ik kijk naar de tijd die ik soms in een complexe zaak stak, was het bij wijze van spreken lucratiever geweest om bij Albert Heijn vakken te vullen. Maar dit was mijn plek, deze mensen kwamen op mijn pad. Ik heb toen nooit nagedacht over werken op de Zuidas.”

beeld Eran Oppenheimer

Voor het grote geld zijn de meeste mensen toch gevoelig?

„Collega’s verdienden inderdaad andere bedragen. Van hen kreeg ik tegelijkertijd reacties als: „Bij jou gaat het tenminste ergens over. Voor mijn klanten maakt het niet uit of ze dat geldbedrag wel of niet verliezen.” Van jaloezie heb ik weinig bij mezelf gemerkt. Ik voelde dat dit het pad was dat ik moest bewandelen, een roeping.”

U bent nog een tijdje lid geweest van de jongerentak van de PvdA. Was dat vóór uw bekering?

„Ja, dat heeft ook niet lang geduurd. Ik werd hier op straat een keer aangesproken. Je kon voor een paar euro lid worden en kreeg er nog een cadeau bij. Maar ik ben daar nooit serieus in geweest.”

Hoe kwam u bij de ChristenUnie terecht?

„Door een stage. Ik zocht helemaal geen stageplek en had niks met de ChristenUnie. Maar in mijn studententijd ontmoette ik via via de secretaresse van Kamerlid Joël Voordewind, die mij de stage aanbood. Ineens zat ik op de fractie en ontdekte ik een partij van christenen die de navolging van Jezus ook in het beleid probeerden vorm te geven. Opnieuw rolmodellen die ik niet kende vanuit mijn eigen omgeving. Vanaf dat moment ben ik eigenlijk altijd betrokken gebleven.”

Op welke manier speelt het geloof een rol in uw werk als politicus?

„Het Evangelie en de politiek gaan voor mij samen. Al een jaar of zeven, acht post ik elke zondag een Bijbeltekst op mijn sociale media. Dat levert mooie reacties op, maar mensen zeggen ook: „Joh, houd je nou eens bezig met je werk.” Zij begrijpen niet dat die twee voor mij niet te scheiden zijn. Ik ben Kamerlid, in de eerste plaats omdat Christus mij gered heeft.

Naast het lezen van de Bijbel probeer ik mijn gebedsleven serieus te nemen. Vandaar dat ik nu ook vast. Ik kan me geen leven voorstellen zonder de binnenkamer waar ik alleen met God tijd doorbreng. Ik weet namelijk wie ik ben zonder Hem. Op maandagen kom ik geregeld met een groep mannen samen om te bidden, ’s ochtends vroeg van drie tot zes. Gebed is de basis van mijn werk.”

„Dat ik stotter, dwingt mij afhankelijk te zijn van de Voorziener”

Don Ceder, Kamerlid ChristenUnie

Als advocaat en politicus moet je veel in het openbaar spreken. Geen makkelijke beroepen voor iemand die stottert.

„Klopt. Het stotteren dwingt mij afhankelijk te zijn van de Voorziener. Ondanks de onmogelijkheden is het toch mogelijk.”

Zit het stotteren u nog weleens in de weg?

„Ik weet dat elk woord van een politicus wordt gezien en gewogen. Soms moet ik zoeken naar woorden of verwoord ik iets gebrekkig. Als kind hield ik vaak mijn mond wanneer ik iets wilde zeggen, omdat ik niet wist hoe het eruit zou komen. Vaak stuitten mijn woorden ook op gelach. Dat zwijgen heb ik lang volgehouden. In de kerk leerde ik mijn eigen onzekerheden aan de kant te zetten en te vertrouwen. Dat ik in het openbaar zou spreken, had je me als twaalfjarige niet moeten vertellen. Vlak voor een debat of interview trek ik me vaak even terug om het in Gods handen te leggen: „Ik doe mijn best, doet U de rest.””

Uw moeder waarschuwde vroeger al dat u beoordeeld zou worden op uw afkomst en huidskleur. Hebt u daar nog last van?

„Je ontkomt er niet aan. Onderhuids beoordelen we elkaar allemaal. Dat zorgt soms voor vreemde momenten. Als advocaat kwam ik eens de rechtszaal binnen. Omdat het coronatijd was, hadden we geen toga’s aan. De rechter veronderstelde vervolgens dat ik de tolk van mijn cliënt zou zijn. Ik laat me daar niet door leiden, maar heb de opmerking van mijn moeder wel altijd meegenomen.”

U kreeg in groep 8 een vmbo-advies, terwijl u op het gymnasium belandde. Raakte u dat als kind, dat u zo werd onderschat?

„Ik was daar zelf niet zo mee bezig. Mijn moeder heeft destijds ingegrepen, omdat ze geloofde dat ik een hoger niveau aankon. De Cito-toets bevestigde dat ook. Zelf heb ik op een gegeven moment besloten dat ik me niet moest laten leiden door de mening van anderen. Dat ik een eigen advocatenkantoor startte en later de politiek inging, daar hadden veel mensen een ander idee over. Ik heb me daaraan ontworsteld. Het is eigenlijk een rode draad in mijn jonge jaren: als ik iets nieuws ondernam, waren er weinig mensen die dat begrepen. Ik heb daarom geleerd te koersen op wat ik zelf belangrijk vind en daarin te volharden. Dat maakt me een tikkeltje eigenwijs, maar als ik mijn oren had laten hangen naar alle goedbedoelde adviezen die ik de afgelopen 25 jaar gekregen heb, zouden wij dit gesprek nu niet voeren. De overtuiging dat ik iets doe wat de Heer op mijn pad heeft gebracht, maakt het soms ook makkelijker om tegen de stroom in te gaan.”

U vond het achteraf gezien heftig om in de Bijlmer groot te worden. Nu groeit uw eigen dochter op in een wijk met drugs, criminaliteit en prostitutie.

„Het is Amsterdam, hè? De Bijlmer is wel sterk veranderd. Een betere toekomst begint bij mensen die kijken wat ze voor hun buurt kunnen betekenen, en niet alleen hopen dat de overheid er wat van maakt. Dat is hier gebeurd. Ook de vele kerken hier veranderen mensen – ik heb het zelf aan den lijve ondervonden. Daarmee veranderen gezinnen, wijken en hopelijk de hele stad. Op weinig plekken zijn zoveel verschillende kerken als in de Bijlmer – daarom spreek ik over de Bijlmerbelt. Ik ben bewust hier blijven wonen toen ik Kamerlid werd. In deze wijk kom je de problemen tegen waar veel Nederlanders mee te maken hebben.”

U zou niet liever in een dorp met huisje-boompje-beestje-kerkje wonen?

„Ik weet niet wat de toekomst brengt. Als Amsterdammer zou ik het lastig vinden om uit de hoofdstad te vertrekken. Maar zeg nooit nooit. Misschien brengt het pad dat God voor mij heeft uitgestippeld ons wel naar Harderwijk, Brussel of Brazilië.”

Populaire artikelen