PolitiekAnalyse

Zijn PVV, JA21, FVD en BBB bondgenoten op thema’s die voor SGP en CU belangrijk zijn?

Christenen hebben veel ideologische medestanders, stelde opiniemaker Wierd Duk onlangs. Wat is daarvan te merken in politiek Den Haag op voor christenen belangrijke thema’s?

Man met witblond haar, zittend in de plenaire zaal van de Tweede Kamer, praat met man die bij hem staat.
PVV-leider Geert Wilders praat met SGP-voorman Chris Stoffer. beeld ANP, Remko de Waal

Bevindelijke christenen hebben buiten hun kring „veel bondgenoten”, stelde Duk eind november op een bijeenkomst in Gouda. Christenen hebben „veel ideologische medestanders”, meent hij. „Daar moeten ze verbonden mee sluiten. Je moet, ook als SGP, strategisch denken, als je dit land wilt redden.” Volgens Duk liggen de Nederlandse cultuur, de beschaving en de identiteit „aan alle kanten onder vuur”. De opiniemaker zei heel sterk te voelen en te merken „dat we ons land aan het weggeven zijn, uit een soort pure onverschilligheid. We komen bij een kantelpunt waarop dat verlies permanent gaat worden en we niet meer de mogelijkheid hebben om het land terug te veroveren op de krachten die het bedreigen.”

Immigratie en de gevolgen daarvan, zoals islamisering, zijn voor Duk belangrijke fronten. Maar wat is er van de vermeende ideologische verbondenheid met christenen terug te zien op thema’s die voor velen van hen van groot belang zijn? Om het concreet te maken: staan partijen als PVV, JA21, FVD en BBB aan dezelfde kant als SGP en ChristenUnie op thema’s die voor de kleine christelijke partijen belangrijk zijn of zelfs tot de kern behoren?

Een verkenning in een viertal thema’s: beginnend leven, levenseinde, vrijheid van onderwijs en zondagsrust. Waarbij vanzelfsprekend geldt dat achterliggende overtuigingen en wereldbeelden hoe dan ook niet hetzelfde zijn; PVV, JA21, FVD en BBB zijn niet voor niets andere, niet-christelijke partijen; ze baseren zich voor hun politieke stellingnames niet op de Bijbel.


Beginnend leven

Als het om het prille leven gaat, is duidelijk dat PVV, FVD, BBB en JA21 niet op één lijn te stellen zijn met linkse en liberale partijen. Zo kon het voorstel van D66 en VVD om de Embryowet zodanig te verruimen dat het kweken van embryo’s speciaal voor wetenschappelijk onderzoek mogelijk wordt, recent niet op instemming van de eerste drie partijen rekenen. Bij JA21 stemden vijf van de negen Tweede Kamerleden tegen.

Bij de stemming in de Tweede Kamer over het schrappen van de vijfdaagse beraadtermijn voor abortus, in 2022, stemden FVD en BBB tegen en deed een deel van de PVV’ers en de JA21-parlementariërs dat ook. Toen een maand later de vraag voorlag of de abortuspil ook via de huisarts beschikbaar moest worden gesteld, was opnieuw een verschil te zien tussen FVD en BBB enerzijds en PVV en JA21 anderzijds. Zowel FVD als BBB stemde namelijk in zijn geheel tegen; bij de PVV deed een deel van de Kamerleden dat en JA21 stemde voor het voorstel.

Kortom, tot nu toe stellen FVD en BBB zich meer prolife op dan PVV en JA21, en overigens ook dan het CDA. De christendemocraten in de Tweede Kamer steunden namelijk in meerderheid de wijziging van de Embryowet, en unaniem het voorstel over de abortuspil.

Stemgedrag zegt lang niet alles over de positie van partijen ten aanzien van abortus

Verder keerden onder meer PVV, JA21, FVD en BBB zich tegen een motie waarin de Kamer zou uitspreken dat abortus een mensenrecht is. Het genoemde stemgedrag zegt echter nog lang niet alles over de positie van partijen ten opzichte van zwangerschapsafbrekingen.

In het verkiezingsprogramma van BBB wordt abortus bijvoorbeeld „een belangrijk recht” genoemd. De partij vindt dat een zwangerschapsbeëindiging „veilig en toegankelijk” moet zijn voor vrouwen, maar dat er niet lichtzinnig mee moet worden omgegaan. De partij wil dat er „zorgvuldig” wordt gekeken naar „de termijnen”, waarmee zij vermoedelijk doelt op de grens van levensvatbaarheid, tot wanneer een abortus mag worden uitgevoerd.

De positie van JA21 is min of meer dezelfde. De partij noemt abortus in het programma van 2025 „een belangrijk vrouwenrecht waar wij niet aan willen tornen”. Wel geeft JA21 aan, met het oog op toenemende levensvatbaarheid van ongeboren kinderen, het belangrijk te vinden het maatschappelijk debat over de abortustermijn te blijven voeren.

De PVV spreekt zich in recente verkiezingsprogramma’s niet uit over abortus. Van de vier partijen is FVD het meest prolife. De partij heeft op dit punt een verandering doorgemaakt. In het verkiezingsprogramma van 2025 komt abortus voor het eerst aan de orde. FVD wil de abortustermijn van 24 weken terugbrengen naar 12 weken en de beraadtermijn herstellen. Waarom de partij voor een grens van twaalf weken kiest? „In een ideale samenleving vindt er geen abortus meer plaats omdat mensen dat niet meer willen”, aldus Kamerlid Gideon van Meijeren in het Reformatorisch Dagblad. „Daarvoor is veel meer een cultuurverandering nodig, een mentaliteitsverandering ten aanzien van de beschermwaardigheid van het leven.”


Levenseinde

De vier partijen behoren niet tot de liberale voorhoede als het gaat om een zelfgekozen levenseinde. Wel hebben zij alle vier –recent of langer geleden– laten blijken in de basis liberaal tegen dit thema aan te kijken.

„Wij steunen de huidige euthanasiepraktijk, die door artsen en patiënten als zorgvuldig wordt ervaren”, schrijft JA21 in haar programma voor de afgelopen Kamerverkiezingen. Dit voert de partij meteen als reden aan om zich uit te spreken tegen „verdere uitbreiding van deze wet” naar mensen zonder „uitzichtloos, medisch lijden” of naar wilsonbekwamen. Oftewel, JA21 is tegen een wet voor wat voltooid leven wordt genoemd – mensen die willen sterven omdat ze hun leven voltooid achten. D66 heeft hiervoor een initiatiefvoorstel ingediend.

FVD nam in de verkiezingsprogramma’s van 2021 en 2023 het standpunt in dat de huidige euthanasiewetgeving moet worden gehandhaafd, maar dat er geen aanvullende voltooidlevenwet moet komen. Beide standpunten staan echter niet in het programma voor de laatste Tweede Kamerverkiezingen.

Kamerlid Van Meijeren zei in 2025 in het RD: „Of het nu gaat over orgaandonatie, abortus of euthanasie, ik denk dat er altijd gevallen te bedenken zijn waarbij ik zeg: hier kan ik het in de hele belangenafweging moreel verdedigbaar vinden – in elk geval dat personen er zelf voor kunnen kiezen.”

Eerder was FVD overigens wél voor een voltooidlevenwet. Ouderen die hun leven voltooid achten, moeten recht krijgen op hulp bij het „waardig beëindigen van hun leven”, stond in 2017 in het eerste verkiezingsprogramma van de destijds nieuwe partij. „Naast de al bestaande euthanasiewetgeving kunnen ouderen zonder overheidsbemoeienis zelf beschikken over hun levenseinde.” Hier is FVD dus van teruggekomen.

Ook bij BBB heeft zo’n verandering plaatsgevonden. Voorvrouw Caroline van der Plas zei in 2021 in het RD dat BBB voor de initiatiefwet van D66 is. „Niemand heeft er zelf om gevraagd om geboren te worden; zou je dan alsjeblieft wél zelf mogen beslissen of je niet meer verder wilt leven? (…) Zo’n wet moet zorgvuldig worden opgezet. Maar de mogelijkheid moet er wel komen, vinden wij.” Uit het BBB-verkiezingsprogramma van 2025 blijkt echter dat het standpunt van de partij is veranderd. „De voltooidlevenwet voegt niets toe aan de huidige euthanasiepraktijk en die zullen wij dan ook niet steunen”, zo valt te lezen.

In dezelfde alinea stelt BBB echter dat actieve levensbeëindiging bij „uitzichtloos en ondraaglijk lijden” een „daad van barmhartigheid” kan zijn. „Dit moet altijd in een medische setting plaatsvinden, na zorgvuldige besluitvorming.”

De PVV spreekt zich in recente verkiezingsprogramma’s niet uit over euthanasie. „We snappen de vurige wens tot zelfbeschikking die veel mensen hebben”, zei toenmalig Kamerlid Fleur Agema in 2016 in een debat over voltooid leven. De politica zei dat ouderen zich nooit te veel mogen voelen en om die reden voor een vrijwillig levenseinde kiezen, maar noemde het creëren van wettelijke kaders voor een zelfgekozen levenseinde ook „een legitieme wens”. Agema gaf aan dat de PVV-fractie nog niet zover was om op voorhand aan te geven voor of tegen een nieuwe wet te zijn. Dat wetsvoorstel lag er destijds ook nog niet, maar werd in 2020 door D66 ingediend. Tot een definitief debat erover is het nog niet gekomen.

Twee vrouwen, allebei in helderblauwe kleding, lachen naar elkaar in de plenaire zaal van de Tweede Kamer. Naast hen staan andere Kamerleden te praten.
Caroline van der Plas (BBB) en Mirjam Bikker (ChristenUnie) in de Tweede Kamer. beeld ANP, Remko de Waal

Vrijheid van onderwijs

Staan PVV, JA21, FVD en BBB pal voor de vrijheid van onderwijs? Zowel PVV als JA21 als BBB staat negatief tegenover één variant van het bijzonder onderwijs: islamitische scholen. De PVV, die hierin het verst gaat, stelt in haar recentste verkiezingsprogramma dat dit onderwijs geen bescherming verdient onder artikel 23 van de Grondwet. Daarin is de vrijheid van onderwijs vastgelegd. De partij van Geert Wilders pleit voor een verbod op islamitisch onderwijs.

JA21 stelt open te staan voor een debat over de vraag „of in het huidige tijdsgewricht” artikel 23 „met betrekking tot islamitisch onderwijs nog gehandhaafd kan blijven”. De partij van Joost Eerdmans pleit voor een „modernisering” van het Grondwetsartikel „waarbij eerbiediging van waarden van de democratische rechtsstaat zoals gelijkwaardigheid, vrijheid van geloof en meningsuiting en afwijzing van antisemitisme en haat wordt gewaarborgd”. Ook vindt JA21 dat Nederlandse normen en waarden centraal moeten staan in het onderwijs. Een voorbeeld daarvan zijn wat de partij betreft „gelijkgeslachtelijke relaties”. Anderzijds is de partij wars van de school als „ideologisch opvoedingsinstituut”. En Kamerlid Diederik Boomsma zei in december in een stemverklaring dat JA21 pal staat voor de klassieke vrijheden.

BBB wil dat er een verbod komt op nieuwe islamitische scholen. De partij voert als reden „de grote problemen” op de al bestaande islamitische scholen aan, waaronder „radicalisering en antiwesterse opvattingen”. In hetzelfde verkiezingsprogramma stelt de partij pal te staan voor de vrijheid van onderwijs.

Dat specifiek alleen het islamitisch onderwijs te maken krijgt met inperking van de onderwijsvrijheid, is eigenlijk ondenkbaar. Maar inperking van de vrijheid van islamitische scholen kan ook op een andere manier: door artikel 23 in zijn volle breedte aan te passen, waarmee dus ook christelijke scholen worden geraakt.

Kortom, een belangrijke vraag is: wat doen deze drie partijen als linkse en liberale partijen voorstellen doen voor het wijzigen van artikel 23? Gaat de vrijheid van onderwijs dan voor, of krijgt de weerstand tegen islamitisch onderwijs voorrang? Een vergelijkbaar vraagstuk speelt bij toezicht op informeel onderwijs.

Overigens is ook de SGP niet blij met de groei van het islamitisch onderwijs. Onder het kopje ”Tegen islamisering” in het verkiezingsprogramma laat de partij dat blijken: „Met een beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt de groei van het aantal islamitische scholen verder gefaciliteerd.” In het programma stelt de SGP op dit punt echter geen concrete maatregelen voor.

FVD spreekt zich in zijn verkiezingsprogramma expliciet uit voor de vrijheid van onderwijs en noemt de islam niet. „We behouden artikel 23 Grondwet, zodat scholen in het bijzonder onderwijs hun eigen identiteit en aannamebeleid kunnen behouden.”


Zondagsrust

Hoe kijken de vier partijen naar de zondagsrust en de openstelling van winkels op die dag? PVV, JA21, FVD en BBB lijken dit geheel aan ondernemers zelf te willen overlaten, waarbij de overheid –landelijk dan wel plaatselijk– hier dus niet meer over gaat.

In september lag een motie van VVD-Kamerlid Arend Kisteman voor waarin de regering wordt gevraagd in kaart te brengen hoe de Winkeltijdenwet zo kan worden aangepast „dat ondernemers zelf mogen bepalen of zij op zondag open zijn”. Een ruime meerderheid van de Kamer, waaronder alle vier genoemde partijen, stemde voor.

Een voorstem bij deze motie betekent niet automatisch dat een partij ook de daadwerkelijke wetswijziging, wanneer die voorligt zal steunen. Maar een signaal is het op z’n minst.

SGP-voorman Chris Stoffer zei dat het aannemen van de motie hem verdriet deed. „Zou u het gemeenten als Staphorst, Urk, Nunspeet en Barneveld niet gunnen om de winkels op zondag gesloten te houden?” hield hij VVD-leider Dilan Yeşilgöz tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen voor. „Als het overgrote deel van de bevolking dat wil, moeten we de lokale democratie toch respecteren?”

Eerder koos Den Haag ervoor om zondagsopening aan gemeenten over te laten. Die wijziging van de Winkeltijdenwet kreeg in 2012 steun van onder meer de PVV in de Tweede Kamer. In de Eerste Kamer stemden ook een aantal CDA’ers voor. FVD, JA21 en BBB bestonden destijds nog niet.