Strijder tegen medicalisering van psychische klachten en voor jeugdzorg op maat
De jeugdzorg zit verstopt, door de toestroom van cliënten en het tekort aan werkers. Als het aan prof. Anna Lichtwarck-Aschoff ligt, gaat het hele stelsel op de schop. Dat vraagt wel om consistent politiek beleid, afstemming tussen gemeenten en stoppen met medicalisering van klachten.

Aan haar eigen jeugd denkt Anna Lichtwarck-Aschoff (48) met dankbaarheid terug. Ze groeide op in een warm gezin. Ook in haar nabije omgeving werd ze niet met jeugdproblematiek geconfronteerd. Wel besefte ze al vroeg hoe bevoorrecht ze was door de maatschappelijke context waarin ze opgroeide. „Dat motiveerde me om psychologie te gaan studeren, met het plan daarna te gaan werken met jongeren die in minder gelukkige omstandigheden opgroeiden.”
Tijdens haar stage ontdekte ze dat ze het interessanter vond om op theoretisch niveau met de jeugdzorg bezig te zijn. In de hoop zo zaken te kunnen verbeteren.
Hoe kijkt u aan tegen de jeugdzorg in Nederland?
„Er is een sterke focus op de stoornis van kinderen. Dat is een doodlopende weg. Ik beweer niet dat er geen lijden bestaat, maar dat neem je niet weg door mensen etiketten op te plakken en op basis daarvan onderzoek en zorg te organiseren. Daarmee doe je geen recht aan het complexe samenspel tussen het individu en zijn context.”
Tien jaar geleden droeg het Rijk de verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg over aan gemeenten. Een verstandig besluit?
„Het idee om de hulp dichter bij huis te organiseren, was goed. Het is een misvatting dat het voor minder geld kon. Een praktisch probleem voor grotere organisaties is dat ze cliënten uit verschillende gemeenten met verschillende regels krijgen. Dat maakt het administratief vreselijk ingewikkeld. Gemeenten zouden tot een uniforme regelgeving moeten komen. Zeker in het begin ontbrak het vooral kleine gemeenten ook aan inhoudelijke expertise. Wethouders die jeugdzorg in hun portefeuille kregen, werden geconfronteerd met een explosie aan lokale zorgaanbieders, maar ze hadden niet de kennis om de kwaliteit en effectiviteit daarvan te beoordelen.”
De transitie werd een mislukking?
„Dat kun je niet zeggen. Zo’n proces kost tijd. Er zijn ook mooie ontwikkelingen, zoals het jeugdexpertisepunt in Veendam. Het verbruik van geld voor jeugdzorg in die gemeente behoorde tot de top van Nederland. Na de transitie in 2015 kwamen er tal van zorgaanbieders bij. De wachttijden en kosten waren door de versnippering extreem. Een paar jaar geleden besloot de gemeente dat het echt anders moest. Met een paar zorgaanbieders die goed samenwerkten, is een netwerk opgezet met één aanmeldpunt. Zodat mensen die het op meerdere domeinen lastig hebben, niet van het kastje naar de muur worden gestuurd. Zeker voor kwetsbare gezinnen is het heel demotiverend en heel lastig om zich in zo’n oerwoud te moeten bewegen.
In het intaketeam zitten mensen uit de verschillende instellingen, zodat ze aan het begin al een goed totaalbeeld van de problematiek krijgen. Veel problemen blijken opgelost te kunnen worden met vier, vijf gesprekken. Wanneer er meer zorg nodig is, wordt er een grondige analyse gemaakt van de benodigde hulp. Op alle scholen zit een orthopedagoog, die meekijkt als het niet zo goed gaat met een leerling. In twee jaar zijn de wachtlijsten weggewerkt, de kosten gingen omlaag en het aantal crisissituaties nam af. Momenteel doen wij onderzoek naar de werkzame factoren achter het succes.”
Wat is de les van Veendam?
„Als gemeenten uithuisplaatsingen terug willen dringen, moeten ze niet per se aan tafel met JeugdzorgPlus, voor specialistische hulpverlening, maar juist met het veld ervoor. Om te voorkomen dat het überhaupt zover komt. Niet door alle kinderen die worden aangemeld te screenen op een mogelijke stoornis. We moeten juist normaliseren. Laten we opvoedingsproblemen bespreekbaar maken. Pubers opvoeden is geen makkie, ik spreek uit eigen ervaring. Het is normaal dat de adolescentie ingewikkeld is, voor kinderen én hun ouders. Als je voortdurend klaagt over de mentale gezondheid van jongeren, is het niet vreemd dat ze zich ellendig gaan voelen. Ze moeten vrij hun gevoelens kunnen bespreken, maar laten we ze geen problemen aanpraten. Dat gebeurt te veel.”
Wat te doen voor jongeren met serieuze mentale problematiek?
„Ervoor zorgen dat er in elke gemeente één instantie is die alle hulp organiseert: laagdrempelige huisbezoeken, met die jongere mee naar de rechtbank, assisteren bij het zoeken naar werk of een geschikte opleiding. Voor een aantal jongeren is dat nodig, de grote groep kan met veel lichtere vormen van hulpverlening toe.”
Waarom dringt uw verhaal zo slecht door in de hoofden van beleidsmakers?
„Laten we vooral wetenschappers niet vergeten. Ook die hebben een grote rol gespeeld in de versplintering van de zorg. De hele evidencebasedbeweging, met bewezen effectieve interventies, is gestoeld op de gedachte dat we eerst moeten meten of iemand een bepaalde psychische ziekte heeft. De volgende aanname is dat alle mensen met die ziekte bij gelijke interventies dezelfde vooruitgang laten zien. Wat dus niet het geval is. Ze kunnen wel in hun ziektebeeld op elkaar lijken, maar hoe ze daar zijn gekomen, verschilt per persoon. Net als de context waarin ze leven. Die twee factoren zijn veel bepalender voor de effectiviteit van een therapie dan de biomedische verklaring. Maar daar gaat het geld en de aandacht naartoe. Het is bizar.”
Heeft die scheefgroei te maken met de vergaande specialisatie van behandelaars?
„Voor een deel. Die levert vakidioten op, die alleen gefocust zijn op hun eigen terrein. De DSM, het handboek voor psychische stoornissen, versterkt de neiging om mensen in hokjes te plaatsen en zo het beeld te versimpelen. Ook de samenleving heeft baat bij het plakken van etiketten. Dan kun je de oorzaak van problemen bij het individu leggen en hoef je niets aan de context te doen. Neem jongeren met erfelijke aanleg voor een bipolaire stoornis. Er wordt grote nadruk gelegd op het belang van tijdige screening. Waarmee je dat arme kind opzadelt met een doemscenario en de ouders bij elk impulsief gedrag gaan denken: o help, dit zijn de eerste signalen. We kunnen dat geld beter besteden aan ondersteuning van die ouders.
Wetenschappers moeten zich realiseren dat ze zelden objectieve feiten ontdekken. Vaak worden die vermeende feiten bepaald door gemaakte keuzes. Daarmee creëren we een werkelijkheid die van invloed is op beleid en behandelpraktijk.”
Kunt u dat toelichten?
„Er wordt gesuggereerd dat een bipolaire stoornis te vergelijken is met een gebroken arm, waarvoor de behandeling duidelijk is, maar psychische aandoeningen zijn veel complexer. Op basis van de DSM zeggen mensen: Ik heb deze symptomen omdat ik een depressie heb. Maar wat is die depressie dan? Niets anders dan dat je last hebt van die symptomen. We zijn er een los ding van gaan maken, dat we ook nog eens heel vaak zoeken in de hersenen.
Gelukkig is in de jeugdzorg het opplakken van een classificatielabel niet meer vereist voor het verkrijgen van financiering. Bij jeugdigen moet je nóg meer oppassen voor medicalisering. Een etiket leidt tot stigmatisering en kan een selffulfilling prophecy worden.
Ik vind het wat gênant dat het nu vooral psychiaters zijn, zoals Jim van Os, die op de betekenis van de context wijzen. Dat hadden de orthopedagogen moeten doen. Het is ons verhaal en onze expertise, maar wij zijn misschien minder goed in lobbyen. Dat heeft ook te maken met de hiërarchie. De psychiaters kijken neer op de psychologen, de psychologen op de orthopedagogen.”

Zou uw aanpak het einde van de wachtlijsten in de jeugdzorg betekenen?
„Dat is erg optimistisch, maar als meer werd geïnvesteerd in een goede pedagogische basis zou een fors deel van de wachtlijsten wegvallen. Waardoor je jongeren die echt specialistische zorg nodig hebben, beter kunt bedienen. Bij de mensen die in deze sector werken, staat het water tot aan de lippen dooreen tekort aan personeel. We moeten ook af van het maakbaarheidsdenken in de samenleving. Je hebt alle kansen, dus als je het niet maakt, is het je eigen schuld. Dat is een irrealistische visie, uitvloeisel van de overmatige nadruk op individuele vrijheid en zelfontplooiing. Die zijn belangrijk, maar we zijn erin doorgeslagen.”
Wat is uw ideaal?
„In de eerste plaats preventie. Laten we ervoor zorgen dat de context gezonder wordt; genoeg leerkrachten op scholen, genoeg sport- en buurtverenigingen, bestrijding van armoede en kansenongelijkheid. Zo krijg je vanzelf ook gezondere gezinnen. In de tweede plaats moeten we af van het stelsel dat de toegang tot zorg afhangt van de opgeplakte etiketten. Dat geeft een perverse prikkel. Hoe meer etiketten, hoe meer recht op zorg. Vind je het dan vreemd dat we een toename aan klachten hebben? We moeten ook af van een vooraf vastgesteld aantal sessies voor een behandeling. De een is met vier gesprekken geholpen, de ander heeft er twintig nodig. Als hulpverlener moet je maatwerk kunnen leveren.
Laten we ook niet suggereren dat je het bij echt zware problematiek wel even fikst en dat het daarna altijd goed blijft gaan. Die jongeren zullen bij nieuwe uitdagingen weer een terugval hebben. Zorg er dan voor dat ze snel weer de goede hulp krijgen, het liefst bij hun oude professional, en schaal de zorg af zodra het beter gaat. In het huidige systeem schalen we alleen maar op, zo lijkt het, en zelden af.”
Hoe kijkt u naar de toekomst?
„Gematigd optimistisch als ik initiatieven zoals het jeugdexpertisepunt in Veendam zie. Veel mensen in de jeugdzorg beseffen dat het zo niet langer door kan gaan. Wat me ook hoop geeft, is de toename van psychiaters die uitdragen dat het medische ziektemodel tekortschiet en de complexiteitsbenadering meer oplevert. Die benadering vraagt wel om een totaal andere inrichting van de zorg. Dat maakt me pessimistisch. Het ontbreekt in de politiek aan een langetermijnvisie. Dat wordt alleen maar erger door al die populisten die met makkelijke antwoorden voor ingewikkelde vraagstukken komen en het tegenovergestelde doen van wat nodig is. Ja, dat vind ik heel frustrerend.”
Vond u dit artikel nuttig?
Gerelateerd nieuws
- Meer over
- Gezonde zorg








